'Dat denk je maar', glimlachte de Kreeft, 'het werken met de bladzijden van een boek en het volgnummer van een bepaalde letter op die bladzijden is een bepaald systeem. Ken je het principe, dan heb je dus in het vervolg net zo lang boeken te proberen, totdatje merkt: hé 't klopt, en dan is je code gekraakt. Vergeet niet, zoveel keus van boeken heb je niet. Het moet een boek zijn, dat wij hier hebben, en een boek, dat aan de overkant gemakkelijk is te krijgen. Elke code is te kraken, en deze nog wel op een gemakkelijke manier. Maar afgescheiden van dit alles, de Duitsers weten nu, dat we mannetjes naar Nederland proberen te sturen, en dat maakt het moeilijker.' 'Ik denk, dat de Duitsers ook wel zullen proberen hun spionnen in Engeland binnen te smokkelen', zei Dirk.
'Daar moet de contra-spionage tegen waken', zei de Kreeft, 'en die is bij de Britten wel in orde hoor. De afdeling M.I.5, zoals dat heet staat zijn mannetje. Vooral nu Engeland eigenlijk een belegerd fort is.'
Een belegerd fort en het stond elke nacht aan de vernietigende bombardementen bloot, maar het sloeg terug. Britse bommenwerpers trokken nu elke nacht naar Duitsland. Overal werd met koortsachtige ijver gewerkt om de sterkte van het land op te voeren. Want als de belegerden in de vesting Engeland éénmaal (wanneer wist niemand) een uitval zouden ondernemen, moest er van alles zijn: schepen om de troepen over te brengen, tanks, geschut, soldaten en noem maar op. Het leven in Engeland had reeds sinds geruime tijd een grimmig aanzien gekregen. Eten was gerantsoeneerd. Op allerlei andere wijzen werd soberheid betracht. Maar het goede humeur van de Londena-ren leed er niet onder.
Dirk werd opgebeld door zijn vriend John Philipps, die hij in de Home Guard had leren kennen. Die vertelde hem, dat zijn broer verlof had van de marine. Wilde Dirk niet eens komen? Hij mocht als hij dat wilde best nog iemand mee op visite nemen. Dirk belde Gerard van Reuven, en die had wel zin.
De broer van John heette Simon. Hij was een forse knaap van zeker één meter tachtig op zijn sokken. Zwaar gebouwd. Bruin gebrand gezicht, en een weelderig baardje aan de kin.
'Die baard is het niet zo geheime herkenningsteken van de Navy', vertelde hij. 'De Navy draagt baardjes, de luchtmacht grote snorren, en het leger moet met een klein tandenborsteltje op de bovenlip tevreden zijn. Zo herkennen we elkaar, ook als we in burger zijn', vertelde Simon, en daarop zei hij tegen Dirk en Gerard: 'Jullie zijn Nederlanders hè? Flinke zeelui. Ik heb er heel wat ont
135