komen. Maar vergeefs. Nu werden zijn waarschuwingen, helaas, bewaarheid. Nu was hij minister-president. In zijn eerste redevoering in het parlement had hij het volk ronduit gezegd: Ik kan u niet anders beloven dan bloed, zweet en tranen... Maar desondanks zou hij volhouden, en met hem het oude sterke Engeland, net zo lang totdat de overwinning zou zijn volstreden.
Toen Dirk die avond tegen een uur of elf naar huis wandelde begonnen plotseling de sirenes van het luchtalarm te loeien. Dat was al eerder gebeurd maar van een werkelijke aanval op Londen was tot dusver eigenlijk nog geen sprake geweest. Het bleef bij een enkele verspreide Duitse vüegmachine.
Die avond echter was het van begin af aan duidelijk, dat het nu menens was.
De lucht was vol van het gebrom der motoren. In de verte begon geschut te blaffen. Het geluid van het afweervuur kwam dichterbij. Soms leek het alsof iemand heel hoog in de lucht enorm zware kleden klopte. Als Dirk een straat overstak en op de hoek een vrij uitzicht op een stuk van de hemel kon hebben, zag hij overal vurige strepen langs de hemel trekken. Dat was het afweergeschut. Af en toe hoorde Dirk een zware slag. Dat moest een bom zijn, dacht hij. Een ogenblik overwoog hij naar het station van de ondergrondse te vluchten. Maar zijn nieuwsgierigheid was te groot. Hij wilde zo'n bombardement wel eens meemaken. Daarbij kwam, dat zich vele mensen op straat bevonden, die zich in het geheel niet zenuwachtig gedroegen.
Ze bleven kalm in de zoelte van de avond wandelen. Af en toe luisterden ze als het gebrom van een vliegmachine erg dichtbij scheen te komen, en dan zeiden ze: 'Dat is een van ons.'
Dirk liep langs een bioscoop. De voorstelling ging blijkbaar gewoon door, ofschoon de mensen in de zaal toch het lawaai buiten moesten horen. Merkwaardig slag mensen, dacht hij, als andere volkeren zenuwachtig worden, dan worden zij pas goed kalm. Gaandeweg werd het bombardement zwaarder. In het oosten begon de lucht gloeiend rood te worden. Daar moest een verschrikkelijke brand woeden. Het scheen Dirk toe, dat het vuur niet verder dan een kilometer of twee van hem verwijderd kon zijn. Brandweerwagens raasden door de straten. Vrachtauto's vol mannen van de luchtbescherming, de helm stoer, boven de kalme maar verbeten gezichten, reden, luid bellend, voorbij.
'De dokken staan in brand', vertelden voorbijgangers.
'De peperpakhuizen gaan in vlammen op', zei een ander. Hij wees
123