niet over peinst met de Duitsers handjeplak te spelen. Churchill vecht door, en Engeland volgt hem. Wat een man.' Dirk sprak er over met Gerard. Die zei, dat de buitenlandse journalisten er net zo over dachten.
'De Engelsen beginnen 'm nu al aardig te knijpen', voegde hij er aan toe, 'ze rekenen beslist op een inval van Duitse parachutisten. Het vervelende is, dat het Britse leger, toen het inderhaast Duinkerken verliet, vrijwel alle wapens heeft moeten achterlaten. Ze halen nu de geweren uit de musea om de burgerwacht te bewapenen.' Van die burgerwacht, de Home Guard, was Dirk lid geworden. Elke avond trok hij naar een grote speelweide in het naburige park. Daar kwamen de mannen, die overdag op de kantoren en fabrieken werkten, 's avonds oefenen. Inderdaad geweren hadden ze niet. Geen nood, ze oefenden zolang met bezemstelen. De wapens komen, zeiden ze, maar wij moeten klaar staan. Het waren meestal oud-gedien-den uit de eerste wereldoorlog en verder jonge knapen, zoals Dirk. De lichtingen daar tussen in, waren in het gewone leger. Tijdens die oefeningen kreeg Dirk volop gelegenheid de aard van de Engelsen te leren kennen. Hij begon ze elke dag meer te waarderen. Ze liepen niet met hun gevoelens te koop. Ze waren beheerst en laconiek. Maar als je ze kende, wist je, dat het taaie, sportieve mensen waren, vastbesloten om tegen de Duitsers vol te houden, tot het bittere einde.
121