CORNELIS PIETERSZOON HOOFT 82
dat zijn leven zou beheersen: de eed, dien hij bij de aanvaarding van het ambt had gezworen en die, het zou later blijken uit zijn adviezen en memoriën aan het stedelijk bestuur, hem eiken dag voorhield ״wadt wij dragen voor een levray en hoe sorchfuldich en oprechtich onse voorsaten hebben verstaen, dat men in zodanige zaecken behoirde te handelen." Zó luidde de eed des Burgemeesters: ,,Dat zweert ghy, dat ghy goede poorter-meesters en beraders vander stede wesen zult, der stede eere, goeden en renten bewaren zult als u zelfs goeden, der stede poortenaren, weduwen en wesen beschudden en beschermen zult, metter stede hantvesten en regten nae uwen besten vermogen, en dat nyet te laten om geen derhande zaecken." Bezield door den zin van dezen eed wordt Cornelis Pieterszoon Hooft het voorbeeld van den Amsterdamsen burgerzin. In den feilen strijd der theologiserende en disputerende predikanten koos hij de partij van het midden; wanneer zijn woord weerklonk drong het aan op bedachtzaamheid en vrede tussen bewoners van de stad. De oude republikein in hem stierf niet, maar wanneer het belang van stad en volk van hem vorderde, dat hij eigen inzicht ondergeschikt maakte aan de verlangens der anderen, gehoorzaamde hij, niet mokkend en in stilte intrigerend voor eigen opvatting, maar met brede gemoedelijkheid en altijd vastberaden.
Er was naast den partijenstrijd der theologische groepen veel in de stad, dat zijn hart bekommerde; er gingen geruchten, die uit dikwijls onbekende bronnen stamden, en die de eer en goeden naam der stedelijke bestuurders bekladden. De stad groeide uit haar oude grachten, zij zocht uitbreiding aan alle kanten en gevangen door den zucht tot gewin bezweken enkele poorters voor de verleiding, waartegen de burgemeesterseed waarschuwde. Onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden schoot op als onkruid tussen de stenen; men verketterde elkander, ja, stond den ander naar het leven.