50 JOOST SYBRANDSZ. BUYCK 69
Zaterdag 24 Mei had Van der Myle, de invloedrijkste der Staten-commissarissen, zijn besprekingen over het commando met de Burgemeesters afgebroken. Zijn laatste woorden in het Torentje waren een bedreiging geweest: de Heren Regenten, zo zij bij hun weigering bleven, moesten op de gevolgen bedacht zijn. Maar Joost Buyck verhief zich van zijn zetel, nog groot en sterk en zijn oude ogen glansden in het bleek, met zilveren baard omkranst gelaat. ,,Als wij gaan, gaan wij met ere", sprak hij. Een ogenblik zagen beide mannen elkaar aan. Dan boog Van der Myle en verliet het stadhuis.
#
In den morgen van Maandag 26 Mei sloot Joost Buyck zijn woning en begaf zich naar het Torentje. Op den Dam heerste een grote drukte. De boter- en kaasmarkt in vollen gang bracht als van ouds het landvolk der omgeving naar Amsterdam om er zijn zuivel, zijn spek en eieren aan den man te brengen. Handelaars groepten samen, vrouwen en meisjes met huik en schorteldoek keurden de uitgestalde waar. In het Waaggebouw verdrongen zich wegers en slepers, achter de dubbele deuren, wijd geopend, zag men de schalen aan lange koorden rijzen en dalen. Als de grijze, nog ongebogen figuur van den oud-Burgemeester met den hogen kastoren hoed, den fraaien plooikraag en zwieri-gen mantel tussen de kramen en bonte groepen schreed naar het Stadhuis, weken de mensen eerbiedig uiteen, groetend en buigend. Een ogenblik glimlachte Joost Buyck: tientallen jaren was het zo geweest, hoe lang zou het nog duren ? Hij was nu op alles voorbereid. Dien laatsten Zondag had hij orde gesteld op zijn zaken en als het middag werd, verliet hij zijn woning om eenmaal nog te zwerven door zijn stad, naar de plaatsen, die hij kende van zijn jeugd en die hem dierbaar waren. Lang stond hij op de Nieuwebrug en zag naar de schepen, die weer het Damrak vulden en over het Y, opnieuw met masten