50 JOOST SYBRANDSZ. BUYCK 70
beplant. In den eersten schemer van den avond vond hij een vletterman bereid om hem naar buiten te roeien, voorbij de palen. En als vroeger zag hij den blauwen avond dalen over de stad, het stervend licht branden in de kruisen der kerktorens, op de kogge van het stadhuis. Een verbaasde nachtwaker opende laat in den avond op aanhoudend geklop een zijdeur van de Nieuwe Kerk. In het licht van zijn geheven lantaarn zag hij het strenge bleke gelaat van oud-Burgemeester Buyck. Aarzelend week hij terug, maar op een kort verzoek ging hij den ouden Regent voor de kerk in, tot bij een zerk in het koor. Daar knielde Joost Buyck op het graf van Ballighje Occo en bad. De nachtwacht met zijn licht zag van verre toe. Het schijnsel van de lantaarn wierp de schaduw van den knielenden man spookachtig groot over zerken en plavuizen.
Nu, dezen morgen, ging Joost Buyck met opgeheven hoofd naar het stadhuis, waar de zittende Burgemeesters hem in spanning en zorg wachtten. Men begaf zich in vergadering met de Raden, om voor de beslissende uren, die komen zouden, zijn houding te bepalen. Inmiddels waren in een logement op den Dam ook de Staatse Commissarissen bijeen gekomen. Bij hen voegde zich een vijftal voorname Amsterdammers, allen Gereformeerd, die het ogenblik genaderd achtten om de historie zijn loop te geven en op hun beurt de leiding van de stad in handen te nemen. Enkele malen, in de nu volgende uren, togen uit het logement ״tusschen de meenighte door" afgevaardigden naar het Stadhuis, om de Regenten te bewegen tot overgave van het commando. Het kwam tot ,,woorden en weêrwoorden"; nog een en andermaal verschenen de commissarissen voor de regeerders ,,om de laatste proef van hun rekkelijkheid te nemen". Joost Buyck, die tot dan toe bij alle besprekingen gezwegen had, nam deze laatste maal het woord en wees de afgevaardigden er kort en krachtig op, dat zij zich bemoeiden met dingen, die hun niet aangingen. Deze boodschap brachten Commissarissen naar hun