50 JOOST SYBRANDSZ. BUYCK 67
lij eken ende van waerden te houden ende doen onderhouden ten eeuwighen dagen", dat 24 artikelen telde, een perkamenten boek in folio, van twaalf bladzijden, met zeven zegels voorzien. Van hun principe hadden Buyck en de zijnen niets losgelaten. De Katholieke godsdienst bleef in rechten onbeperkt, zowel in de stad als haar Ambachtsheerlijkheid. Wel echter mochten de ballingen terugkeren en kregen andersdenkenden vrijheid van overtuiging; evenmin waren zij verder uitgesloten van de ambten. Maar op één belangrijk punt hadden Burgemeesters tenslotte moeten zwichten: hun stadssoldaten zouden zij ontslaan, de schutterijen herstellen. De stad herwon overigens haar privilegies en rechten; alleen de paalkist bleef in Enkhuizen, een bitter verlies voor Amsterdam, waarin men node berustte. Amsterdam kon nu weer ademen. Het beleg werd opgebroken; de schepen voeren weer uit. Aan den loswal kreunden en knarsten de windassen, heffend en torsend den versen last. Tal van ballingen keerden terug naar de stad, maar in het Torentje begrepen de regeerders, dat hun dagen waren geteld. Zij bezaten geen macht meer om hun gezag te doen gelden. Op de Katholieken der stad konden zij slechts voor een klein deel rekenen en dit veroordeelde nog hun daad. Vooral de neef van Joost Buyck, de pastoor der Oude Kerk, Mr. Jacob Buyck, even onwrikbaar van overtuiging en onbuigzaam van wil als zijn oom, veroordeelde de satisfactie en wenste haar niet te erkennen. Vooral de gevorderde eed van hulp en trouw aan Aartshertog Matthias, die tegen den wettigen Landvoogd Don Juan als Gouverneur-Generaal werd uitgeroepen, was hem een gruwel. Liever dan dat ging hij vrijwillig in ballingschap: in de week na Pinksteren, dat in 1578 op 18 Mei viel, den uitersten datum, waarop men den eed moest afleggen, reisde hij verbitterd jegens de stad, welker geest hij met dien van Sodom vergeleek, uit Amsterdam weg.
Veel groter was echter het aantal dergenen, die zich schaarden