Dr. WILLEM DE VLUGT 323
Als het er om ging revolutionnaire uitingen het hoofd te bieden, dan reageerde hij aanstonds. Toen in 1923 den Raad voorgesteld werd een belangrijk crediet beschikbaar te stellen voor de viering van het 25-jarig Regeringsjubileum van Hare Majesteit de Koningin, was het de heer Wijnkoop, die hiertegen zijn stem verhief, maar direct werd hij door den Burgemeester aldus van repliek gediend:
״De onjuistheid van voorstellen toont men niet aan door er op ״pathetische wijze over te spreken, zoals de heer Wijnkoop deed ״en allerminst door zijn betoog te vullen met phrasen als: ,,wij, ״het Amsterdamse volk", ״wij, de werkelijk fiere mensen van ״het proletariaat, die aan het jubileum niet zullen meedoen" ״enz. enz. en door dan nog eenige keren de vraag tot Burge-״meester en Wethouders te richten: Hoe durft Ge? ״De meerderheid van Burgemeester en Wethouders is zich ״niet bewust met het indienen dezer voorstellen een daad te ״hebben gedaan, die van groten moed getuigt. Er is trouwens ״geen moed voor nodig, wanneer men overtuigd is, dat het ״volstrekt niet mag worden nagelaten. Als er van moed sprake ״is, kan alleen verwondering wekken de overmoed, waarmede ״de heer Wijnkoop een betoog heeft gehouden als hij van-,,middag deed."
Het is een van de wijzen, waarop de Voorzitter van den Raad met de Communisten afrekende, zo het nodig mocht zijn. Nog èèn voorbeeld willen we hier memoreren.
Het is een van die talloos trieste winterdagen, dat de straten en grachten van de hoofdstad iets hebben van een décor — een flitsend achterdoek van schelle en flakkerende lichten over donker water. De stad is dan als een krimpende en weer ontspannende tijgerhuid vol gouden vlekken, een woelige zee vol scheurende geluiden en daartussen door de diepe kolken van stilte — grachten onder het kwijnend licht der lantaarns, straten van een vreemde onbeweeglijkheid onder het spokige schijnsel der
Twaalf Burgemeesters 21*