Dr. WILLEM DE VLUGT 297
zijn God. Het zijn de ogenblikken, waarin hij houvast vindt in zijn lievelingspsalm:
Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,
Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven ?
Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op den Heer, godvruchte schaar, houd moed!
Hij is getrouw, de bron van alle goed.
Zijn kracht daalt dan in zwakheid op u neer;
Wacht dan, ja wacht; verlaat u op den Heer.
Hier vinden we een gedeelte van den sluier opgelicht, dat het geheim onthult, waardoor deze man, die eerst ,,onwelkom" was, thans zelfs door zijn tegenstanders gerespecteerd wordt en.... door the man of the street geacht. ,,Men" noemt hem „Vader Willem" en ver moeten we in de historie teruggaan om een dergelijken, hartelijken, bijnaam weer te vinden. Het wijst op een algemene sympathie. Een buitenlandse gast, een der Lords Mayors van Londen, heeft in zijn verschijning overeenkomst gezien met de figuren van de oude Schuttersmaaltijden, zoals we die in ons Rijksmuseum zovelen afgebeeld zien — gezonde, klare, koene koppen. Die vergelijking heeft eveneens ingang gevonden bij het volk.
Het zijn alle voor hem ere-titels geworden. Vooral, omdat ze verworven werden in een periode van bestuur, welke allesbehalve gemakkelijk was. Hij heeft Amsterdam geleid in een tijd, toen alles mogelijk was en in een tijd, toen niets kon; in een tijd van politieke rust en in een periode van grote politieke spanning; in een tijd van economisch en opgang en in een tijd van diepe economische depressie. Nu staan wij in een overgangstijdperk. En ook thans geeft men hem van alle kanten de eer,
welke hij in zo ruime mate verdient.
#