Dr. WILLEM DE VLUGT 295
״gewichtig ambt van Burgemeester, voegt het niet hierbij lang ״stil te staan en zich aan pessimistische overdenkingen over te ״geven.
״Amsterdam moet vooruit!
״Aan moed, werkkracht en energie mag het in dezen tijd nie-״mand en zeker niet hem ontbreken.
״Dames en Heren, ik herhaal, mede te werken aan den groei en ״bloei van 's Rijks Hoofdstad, het is en blijft een schone taak. ״Geroepen te worden tot behartiging der belangen van geheel de ״burgerij, en tot handhaving der positie onzer mooie en goede ״Stad ook naar buiten — is en blijft een treffelijke plicht. Zullen ״wij daarbij slagen, dan is dit dan alleen mogelijk, als dit ook in ״uw midden zó wordt gevoeld en wij eendrachtiglijk op dat doel ״ons streven richten.
״Met de bede, dat God's onmisbare Zegen op onzen arbeid rusten ״moge, aanvaard ik dan ook vol goeden moed, mijn nieuwe taak." Op de iets meer welwillende woorden van den heer Wibaut, in het Koninklijk Paleis in 1925 gesproken, antwoordt hij aldus:
״Met grote belangstelling heb ik de rede van den heer Wibaut ״gevolgd en deze zal het mij niet euvel duiden, wanneer ik zeg ״vooral het tweede gedeelte bijzonder op prijs te stellen. Daarin ״toch richtte hij zich tot mij persoonlijk. Voor de vriendelijke ״woorden aan mij persoonlijk gebracht, ben ik gevoelig en dankbaar. De heer Wibaut is geen fraseur, doch een man, die weet ״wat hij zegt en die meent, wat hij zegt. En, wanneer deze op een ״moment als dit, gewaagt van mijn arbeid als Burgemeester op ״de wijze, als hij deed, ligt daarin een waardering, die groter is, ״dan waarop ik had durven hopen. Ik zeg u daarvoor hartelijk ״dank. En wat nu het eerste deel van uw welsprekend woord aan-״gaat — de heer Wibaut zal het mij niet euvel duiden, wanneer ״ik over de perspectieven, daarin geopend, liever.... ״morgen" ״met hem eens van gedachten wissel."