Dr. WILLEM DE VLUGT 287
veel wat u vreemd is. Uw aanvaarding van het ambt moet betekenen bij u, die Amsterdam kent en die enige jaren aandeel hebt gehad in een groot deel van het bestuursbeleid, uw vaste voornemen om ten opzichte van al de eisen, die de nieuwe ontwikkeling der maatschappelijke verhoudingen aan het hoofd onzer Gemeente stelt, de goede tradities te volgen in het bijzonder van uw laatsten ambtsvoorganger."
*
Het was de oudste Wethouder van de hoofdstad, de heer Wibaut, die aldus den nieuwbenoemd en Burgemeester in de vergadering van den Gemeenteraad van 20 Juni 1921 het „welkom" toeriep.
Wethouder Wibaut was voor velen een symbool. Zijn bijnaam „De Machtige" wijst er op hoe hij in de geschiedenis van het Amsterdam in het begin van deze eeuw een belangrijke functie vervulde. Zijn fijnbesneden kop herinnerde aan een Zeusbeeld uit de Griekse mythologie. Zijn aanwezigheid achter de bestuurstafel van het college van Burgemeester en Wethouders gaf decorum aan de zaal. Zodra hij sprak, luisterde ieder. En waarlijk niet alleen omdat hij een orateur was — hij was misschien veeleer een gezellig causeur —, maar vooral omdat in hem belichaamd was de politiek van een sterk groeiende partij. Hij was de uitvinder van de woorden „Het domme potlood" en van hem is afkomstig de uitspraak: „Men moet in de politiek nooit „nooit" zeggen." Een stadsbestuurder was hij in den groten zin van het woord, door vriend en vijand geëerd. Als hij zulke woorden sprak, moest er meer betekenis aan worden gehecht, dan wanneer een andere Wethouder of Raadslid ze zou gesproken hebben. „Deze Raad zou u stellig niet gekozen hebben. Want Gij zijt de uitgesproken en sterk principiële vertegenwoordiger van een geestesrichting, die er zeer ver van verwijderd is in Amsterdam de heersende te zijn."