J. W. C. TELLEGEN 312
daarom voelen wij het niet als iets wreeds, dat de grote stad vader heeft weggenomen. Ik wil in de eerste plaats hier danken Hare Majesteit de Koningin, die een vertegenwoordiger zond. En dan allen, die hier zijn, maar ook de velen, die vanmorgen zo eenvoudig langs den weg stonden en hun hulde brachten in Amsterdam, dat vader zo lief was. De laatste maanden zijn voor hem wel heel hard geweest. Hij kon niet meer werken, maar zijn geest had geen rust, omdat hij ernaast stond. Dat was voor hem niets en daarom is dit einde misschien het beste. Hoe hij met hart en ziel in Amsterdam leefde, moge blijken uit wat hij mij zeide, tijdens zijn laatste ziekte, toen ik hem in Parijs sprak: ,,Al die kleine dingen," zei hij, ,,kunnen mij niet schelen. Eén ding interesseert me. Kun je mij ook zeggen, hoe het staat met het gemeentecrediet ?" Met hart en ziel hing hij aan Amsterdam. Toen ik mij een bescheiden plaatsje had veroverd bij de werken tot uitbreiding van Amsterdam naar den zeekant, zei hij tegen mij: „Jongen, zorg, dat er schot in komt!" Wij hebben onzen vader gegeven aan Amsterdam. Maar niet aan Amsterdam alleen. Hij hield van het hele land en geen mooi plekje is er in Nederland, waar wij in vacantiedagen niet met hem gewandeld hebben. Daarom doet het mij zo innig goed, dat ik gisteren met vaders kleinzoon dit plekje hier voor hem heb uitgezocht, een plaatsje vol zon, bloemen, vogels en licht, waar hij kan rusten...."
*
Zo min men de bemoeiingen met de voedselvoorziening van Amsterdam gedurende de oorlogsjaren kan schilderen zonder den naam Wibaut te noemen, zo min kan in een levensschets van burgemeester Tellegen de vermelding ontbreken van de innige vriendschap, die burgemeester en wethouder met elkander verbond. In den bijnaam „de Machtige", die scherpe spot den wethouder verleende, zou iets kunnen schuilen van mindere waar