J. W. C. TELLEGEN 279
״Juli 1914, den dag voor de oorlogsverklaring, in het college van ״B. en W. aanvaard. Weinig dachten wij toen, dat het mooie ״werk, waaraan wij toen met zoveel voldoening een stevig begin ״zouden maken, zolang en zo ernstig zou worden vertraagd. ïn ״Maart 1915 werd Teilegen mijn burgemeester. Vier jaar lang ״gedurende den oorlog was ons contact bijna dagelijks. Onze ״vriendschap is hechter geworden. Hecht is zij gebleven ook toen ״in den zomer van 1920, als gevolg van de politieke manifestatie ״van 8 Juni, een ernstig verschil van opvatting tussen ons be-״stond. Wij vertrouwden elkander volledig, dus wisten wij, dat ״in dit scherpe geschil ieder handelde naar plicht en geweten. ״Zo spreekt aan dit graf niet enkel de waarnemende burgemees־ ״ter, maar ook de vriend.
״Thans rest mij alleen als hulde van de gemeente een krans op ״uw graf te leggen. Uw weduwe heeft bloemenhulde afgewezen. ״Zij heeft daarmede uw nagedachtenis geëerd. Want uw persoonlijkheid was er een van den uitersten eenvoud en soberheid. Daarom is hier als bloemenhulde dezen enkelen krans. ״In naam van de gemeente, leg ik hem op uw graf: zwaar van ״leed, zwaar van dank."
#
De schets van burgemeester Tellegen's persoonlijkheid zou niet volledig zijn zonder de vermelding van het afscheidswoord, dat de enig overgebleven zoon aan de groeve sprak, omdat het den man liet zien, die de burgerij niet kende: den huisvader. ״Wij zijn niet jaloers op Amsterdam, omdat het onzen Vader van ons heeft genomen. Wij hebben altijd toch zoveel nog aan hem gehad. Vader werkte in de huiskamer. Wij wisten allen, wat hij deed en ook toen mijn broer en ik nog in Indië waren, bleven wij volkomen op de hoogte van vaders arbeid. Elke week schreef hij ons lange brieven, of aan mijn broer of aan mij. Zoo zijn wij altijd op de hoogte gebleven van den groei van Amsterdam en