J. W. C. TELLEGEN 301
stofïengebrek dreigde. De overheid zag zich gedwongen het gebruik van gas en electriciteit te rantsoeneren. In sommige steden besloot de gemeenteraad tot een verbod van winkelverlichting. In Amsterdam sloot het Rijksmuseum zijn poorten om licht en brandstof te sparen. Amsterdam ging een dode stad worden. De straatverlichting werd tot een minimum teruggebracht; wanneer het avondlijke duister over de stad viel, kwam de misdaad uit haar hol en viel de angstige voorbijgangers aan. Wie 's avonds niet per sé op straat moest, bleef thuis, wanneer althans de uit krantenpapier geperste brandstoffen voldoende warmte boden. Kerken en openbare vermakelijkheidsinstellingen werden schuilplaatsen voor een kleumende bevolking. In lange rijen stonden de burgers te wachten voor de zalen der voedsel-uitdelingen. De Centrale Keuken kookte voor duizenden, maar het voedsel was arm aan vet en andere voor het leven noodzakelijke bestanddelen. In het land kwam een nijpende benzine-nood; het auto-verkeer verminderde, de straten der steden werden leeg en verlaten, ook overdag. Reusachtige veenbranden teisterden Drente en vernietigden de voorraden turf. Het gebrek aan verse groente riep aan den rand der steden, nieuw verschijnsel, de volkstuinen in het leven; het Amsterdamse gemeentebestuur stelde 200 H.A. grond voor 6000 aanvragers beschikbaar en een landbouwdeskundige, die den burgers onderwijs gaf in de groenteteelt. En er waren er, die reeds plannen beraamden voor een gemeentelijk landbouwbedrijf. Toen het leed van den winter zonder voldoende brandstof geleden was, toen nieuwe angsten om dreigend gevaar, dat Nederland toch nog in den oorlog zou worden betrokken, zich hadden gelegd, groeide een nieuwe zorg: de aardappelnood. In Maart reeds was er gebrek aan aardappelen. De ontevredenheid steeg en bereikte een hoogtepunt, toen de regering naar Den Haag, Amsterdam en Rotterdam partijen onbruikbare aardappelen zond. In tal van Amsterdamse buurten vormden zich optochten,