J. W. C. TELLEGEN 269
hoogte. Benamingen als ״kindervergiftigers", ,,bloedbeulen", „moorddemokraten" gingen tot de normale politieke vocabulaire behoren. De kleine middenstand werd onrustig, omdat de winkeliers meer nog dan anderen leden onder de gevolgen der voedsel vervalsingen, die gewetenloze leveranciers op grote schaal pleegden. De geesten van het verleden waren ontwaakt en wilden niet rusten; anti-parlementaire groepen organiseerden een bestorming van het voedselmagazijn ener arbeiders-coöperatie, sleepten het voedsel naar buiten en vernietigden het. De gemeente bestreed de misdadige voedselvervalsingen met grote kracht; de politie nam bij talloze bakkers broden, die beneden het vastgestelde gewicht waren, in beslag en verkocht ze in het openbaar. Met den smokkelhandel werden honderdduizenden verdiend. De oorlog was aan de landsgrenzen blijven staan, maar zijn metgezellen: misdaad en zedeloosheid, waren binnengeslopen en dongen naar de overmacht.
Wanneer de burgers einde 1916 op de publieke tribune van de raadzaal de debatten hunner vertegenwoordigers volgden, zagen ze naast de grote gestalte van wethouder Wibaut, de figuur van den burgemeester: een man, klein van gestalte, het gelaat door duizend rimpels doorploegd, om den mond een verbeten trek van vasthoudendheid, de ogen staan moe en hol, boven de grijze wenkbrauwen welfde zich een hoog gerimpeld voorhoofd. Wie den eersten burger van Amsterdam zag zitten, dacht aan de regels van Vondel:
,,Hoe heeft hem Amsterdam ervaren wijs en simpel
Een hoofd vol kreuken, een geweten zonder rimpel."
De zorg voor de levensmiddelenvoorziening nam het gemeentebestuur zozeer in beslag, dat wethouder Wibaut voor deze taak geheel werd vrijgemaakt. Burgemeester Tellegen nam als ver