J. W. C. TELLEGEN 2Ó5
voedselvoorziening hadden leren kennen, trachten den nood der tijden om te munten tot hoge waarde.
Einde 1915 stokte de stroom der melkvoorziening, die van het platteland naar de steden vloeide. Vele gemeenten geraakten in grote moeilijkheden, omdat, bij de groeiende voedselschaarste, melk als middel tot instandhouding van de volkskrachten node kon worden gemist. De prijzen van de melk lagen buiten het bereik der grote volksmassa, wijl de fabrieken, waar de melk tot boter en kaas (voor den export) verwerkt werd, hoger prijzen boden dan de melkdistributeurs. De hoofdstad en de residentie wezen de regering op de moeilijkheden, die reeds waren ontstaan en die, zo er geen verandering optrad, nog nijpender zouden worden. Toen werd — typisch voorbeeld van oor-logs-economie, die alle bestaande gebruiken overtreedt — door de regering bepaald, dat de melkveehouder, die in vorige jaren de gemeenten van melk had voorzien, verplicht was daarmee voort te gaan. Op papier klopte dit alles prachtig, maar al moge de vasthoudendheid van den boer aan oude gewoonten spreekwoordelijk heten, de kans op een hogen prijs voor de melk liet hij zich niet ontnemen. Een felle melkoorlog ontbrandde. De minister stelde den prijs van de melk op 9 cents, later op 10 cents per liter, maar de boeren, zich sterk voelend in hun verzet, voerden de melk aan het vee, liever dan het kostbare vocht naar de steden te zenden.
Amsterdam, waar burgemeester Tellegen met wethouder Wibaut de andere partij in den melkoorlog aanvoerde,gaf geen duimbreed toe; de hoofdstad wilde niet meer dan 9 cents per liter betalen; zij liet door accountants de bedrijfsuitkomsten der melkveehouders bestuderen om den prijs, dien de stad bood, te kunnen motiveren. De melkoorlog woedde feller, toen de boeren de melkstaking proclameerden en Amsterdam de vier en twintig duizend liter melk per dag, die het voor de bevolking nodig had, onthielden. In den strijd tegen deze melkstaking stonden regering