S. A. VENING MEINESZ 249
ter tafel werden gebracht. Thans echter gold het een kwestie van beginsel. Niet het minst voor dezen man, het type van den oud-Amsterdamsen regent, die koning wil zijn in eigen huis en dat ook blijven wil met alle koninklijke rechten óf zijn huis verlaten zal — die in al zijn doen en laten steeds denken deed aan dat oude Amsterdamse woord: ״Zij zijn hier allen vorsten!" de regeerder die zich niets ontnemen laat van zijn macht en zijn gezag ongeschonden wil bewaren.
In de eerstvolgende raadszitting deelde Burgemeester Vening Meinesz mede, bij deze opvatting der regering de verantwoordelijkheid niet langer te kunnen dragen. Groot bleek de ontsteltenis. Persoonlijk betuigde mr. Caroli zijn leedwezen, mr. H. S. van Lennep de spijt van den Raad. Ook door Amsterdam ging een schok, toen het nieuws van dit besluit zich verspreidde. Nu pas werd duidelijk hoe gezien en — ondanks zichzelf — ook populair deze bewindsman in breden kring der burgerij eigenlijk wel was. Herhaalde pogingen wendde men aan, om den Burgemeester op zijn beslissing te doen terugkomen, doch alles vergeefs. Op 2 April 1901 ging Vening Meinesz heen. Dien laatsten dag stroomde de raadzaal vol ambtenaren. Het afscheid was zeer hartelijk. Zelfs de altijd koele Vening Meinesz werd zichtbaar getroffen. Hij drukte velen de hand, die wisten, dat nooit in den correcten regeerder de mens was ondergegaan. Ontroerd sprak de scheidende magistraat: ״Het schijnt dan toch, dat ik niet zo'n verschrikkelijk Burgemeester ben geweest, of het is mij wel gelukt de belangen mijner ambtenaren met die der gemeente naar vermogen te behartigen." Een ogenblik — dit laatste — week het starre uiterlijk van den regent, die het vaderschap der burgerij versmaadde, zag Amsterdam de tweede, vaak miskende figuur in die sterke persoonlijkheid: een waarlijk goed mens, dien men niet licht zou vergeten. Er was weemoed om dit heengaan bij allen, die in den weinig beminnelijken man den adel van zijn burgerdeugd wisten te eren, zijn grote, op