S. A. VENING MEINESZ 247
andere. Zoals hij bestuurd had al die jaren, zo zou hij ook heengaan: rechtop en onverzettelijk, in logische consequentie van zijn opvattingen. In 1901 wenste de meerderheid van den Raad stem te hebben in de regeling van de naar haar mening soms te zware straffen bij politie en brandweer. Men achtte het minder juist, dat alle macht in politiezaken uitsluitend bij den Burgemeester berustte en wat de brandweer betrof, bij het college van B. en W. Dit stuitte op krachtig verzet bij den Burgemeester, die zich beriep op het bepaalde in de gemeentewet, welke zeer bepaald elke bevoegdheid inzake aanstelling en ontslag aan den Raad ontzegde. De Burgemeester was van oordeel, dat wie het recht miste op aanstelling en ontslag ook niet bevoegd was zich met disciplinaire straffen in te laten.
Nu was Burgemeester Vening Meinesz inderdaad geen zachte heelmeester, maar wie het politiecorps bij den aanvang der twintigste eeuw vergeleek met tien jaar tevoren, toen avond aan avond de Doofpot-revue,het Taptoe-schandaal hekelend, stampvolle zalen trok en het laatste greintje gezag der politie werd verspeeld, moest bekennen, dat een heel andere geest werd geschapen. Toen zong heel de stad het ,,Diender, diender, als men 't u gebiedt" en kende ieder het refrein:
Pats, pats, pats Je dondert er maar door! Zo wordt de rust door ons bewaard Waar anders zijn wij voor ? Pats, pats, pats, Je hakt er maar op in, Zo ranselen wij de burgerij Heel opgeruimd van zin!
Maar bij de Kroningsfeesten bleek het vertrouwen van het publiek in zijn politiecorps volledig hersteld. Geen enkele ordeverstoring deed zich voor en er was zoveel waardering voor het