S. A. VENING MEINESZ 235
wien alle bonhomie vreemd bleef en die bij zijn komst als Burgemeester bij voorbaat elk gevoelselement in zijn beleid met duidelijke woorden uitsloot: ״Ik ben regent, geen burgervader", was weinig geschikt de vriendschap der massa te winnen. Maar juist daarom hield zich de volksfantasie met hem bezig, weefde zij legenden om den man, die elke populariteit verachtte en slechts door strenge rechtvaardigheid, een stipte naleving der vormen zich leiden liet.
Sjoerd Anne Vening Meinesz was een Fries: hij werd op 20 Februari 1833 te Harlingen geboren. Zijn opvoeding kreeg hij te Amsterdam, waar hij het gymnasium bezocht en aan het Athenaeum Illustre rechten studeerde. Daar het Athenaeum pas twintig jaar later tot Universiteit zou worden verheven, promoveerde hij te Leiden en wel in 1856 op proefschrift, bevattende ״de geschiedenis der staatsrechtelijke bepalingen betreffende de vervaardiging van wetten en algemeene beginselen, die hierbij behooren te gelden." ״Het grondbeginsel van alle macht," zoo schreef hij o.m., ״is bescherming der individueele vrijheid in de samenleving." En: ״Het wezen der wet vordert algemeene handhaving van de zijde van den Staat en onvoorwaardelijke gehoorzaamheid der ingezetenen." Beide opvattingen tekenden den 23-jarigen Vening Meinesz als een liberaal van den ouden stempel. Hij is deze beginselen, vastgelegd bij zijn intree in het maatschappelijk leven, trouw gebleven. Wel moest hij op den duur de eerste zienswijze voor een goed deel laten varen en erkennen, dat het recht niet uitsluitend deze taak had, maar zijn opvatting van het wezen der wet heeft hij met grote en besliste overtuiging gehandhaafd. Zijn gedragslijn in het openbaar leven volgde met scherpzinnige nauwgezetheid de wet; van interpretatie, die met gewijzigde omstandigheden rekening hield, wilde hij niet weten. Voor hem was het geschreven woord afdoende. Recht door zee als geen ander, noemde men hem: ״Meinesz, de rechtvaardige". Op aandrang van zijn vader trad de jonge Mr. Vening Meinesz