234 S. A. VEN ING MEI NES Z
het uitspansel met vriendelijke kleuren. En er kwam een rust, die het bedrukt geslacht merkbaar goed deed. Men stelde vast, dat men toch zijn best had gedaan op velerlei gebied en hetgeen bereikt werd niet onbevredigend mocht heten. Daarom wilde men ademhalen, even pauzeren, een ogenblik trachten zijn zorg te vergeten. Gerust mocht de oude eeuw als een nachtkaars uitgaan; heimelijk vreesde men het licht dat straks de nieuwe eeuw, de twintigste, als een verblindend vuurwerk in het leven der maatschappij zou ontsteken. Dit voorgevoel bedroog zich niet al kwam het vuurwerk niet in 1900, maar veertien jaar later
en al viel het anders uit dan men het zich had voorgesteld.
#
Door het Amsterdam der negentiger jaren ging een slanke, hoog-opgaande verschijning, statig, kaarsrecht. Een man met trots, scherp getekend gelaat, met lange bakkebaarden. Dagelijks zag men hem het huis in de Bocht, Heerengracht 456, verlaten en met grote, afgemeten passen de stad ingaan. Er waren velen, die hem groetten zonder dat de lange man het scheen te merken. Hij keek naar links noch rechts, slechts voor zich uitziende, het hoofd ongenaakbaar in den nek. Allen op straat bleken hem te kennen, ofschoon hij op niets of niemand acht sloeg. De vreemdeling, die zijn Amsterdamse relatie hiernaar vroeg, kreeg verbaasd ten antwoord: Maar weet je dat dan niet ? Dat is toch Burgemeester Vening Meinesz!
Inderdaad, zo kende hem Amsterdam, zo kende hem half Nederland, ofschoon juist deze magistraat het minst populair was in den gewonen zin des woords. Om populair te zijn bij de mensen, moest men blijk geven hun menselijke zwakheid te delen en dat was het laatste wat van Burgemeester Vening Meinesz te zeggen viel. De uiterlijk starre aristocraat, beslissend kortaf in zijn optreden, scherp en sarcastisch — de volksmond sprak van ,,Vinnige Manus" — deze figuur, ijzig en gesloten,