S. A. VENING MEINESZ 233
licht der gaslantaarns naar het eerste bal. Daar danste men de zwierige oude wals, de kruispolka, de quadrille der lanciers. Dit was de vorige eeuw, het fin de siècle, dit was het goede, oude Amsterdam. Zoo leeft het nog bij Breitner en Witsen, zoo waren zijn schimmen op oude foto's, in balboekjes met verbleekte namen. Men ruikt dien tijd: lavendel en thijm, tussen bladen van een poëzie-album gedroogd. Zijn klanken zijn nog niet vergeten, vertrouwde melodie der Schlager dier dagen: ,,Diender, o diender", „Tararaboemdié", „O, conducteurtje, wat heb je toch gedaan", „Poet-poet-poet, mijn hoentje", „Japie is getrouwd" en het onsterfelijk: „Mijn vader had een bokkie, een bokkie zonder staart."
Een gezellige stad, burgerlijk naar een later smaak, kleinsteeds van atmosfeer, maar toch met leven en energie. Na 1870 was zij ontwaakt uit den dommel, die haar na den Fransen tijd bevangen had. Handel en scheepvaart herleefden, de oude veerkracht scheen hersteld. De Stoomvaart Maatschappij Nederland werd opgericht en spoedig konden de schepen hun weg kiezen door het in 1876 voltooide Noordzee-kanaal. Nieuwe industrieën vestigden zich. Achter en boven de oude daken der stad verhieven zich de schoorstenen van werkplaatsen, bedrijven en fabrieken. Reeds lang was stoomkracht dienstbaar gemaakt, het gas, straks de electriciteit. De machine verscheen naast den mens, goedkoper en sneller dan deze, al zwoegden zijn handen nog tien, twaalf uur achtereen. Schoorstenen rookten, de neerslaande smook was grauw als het bestaan der mensen, zwart als hun gedachten, waarin, aarzelend nog, het licht brak van nieuwe ideeën, die spraken van bevrijding en recht. Maar de spanning der zeventiger, tachtiger jaren, die zich als een dreigende onweerswolk aan den horizon samenpakte en den avond van de eeuw zou doen sidderen en beven, al donkerder zich spreidend langs den hemel, scheen na '90 te zijn geweken. Een waterig zonnetje brak door, men zag weer een stuk van