XI
S. A. VENING MEINESZ
״IK BEN REGENT, GEEN BURGERVADER!"
TWEE museumbezoekers staan voor Breitner, een oudere en een jonge man, vader en zoon. De oudste, een goede zestiger, kijkt naar het doek en glimlacht. Hij ziet een Dam bij regen met pledderende plassen, waarin het gelig gaslicht glimt. Een Dam met rode kiosken en blinkende paarden, mensen met slovenden gang. Een stadsbeeld vol melancholie en sfeer van treurige schoonheid. De vader staart naar het schilderij en zijn gedachten stromen vol. Hij droomt weg in het verleden; teruggeweken dagen herleven voor zijn geest. Daar is weer het Amsterdam, waarin hij jong was, de stad der negentiger jaren, de stad van het fin de siècle. En in zijn verbeelding komt er beweging in de paardentram, in den aapjeskoetsier. Hij ziet ze door de straten gaan, hij hoort het ratelen van vigelantes en equipages, het bolderen van een sleperskar met dampende rossen. Hoe meer hij naar Breitner kijkt, hoe sterker voor zijn geestesoog dit oude Amsterdam gestalte krijgt: de rust van zijn zeurige dagen, de schemer over het water der gracht, spiegeling van oude huizen. De mensen hebben een slofïenden gang. Het is alsof zij moe zijn, verzadigd van rust, maar onder dien uiterlijken vrede toch iets van heimelijke zorg. Hij weet: dit noemt men de goede oude tijd.
Ook de zoon kijkt naar Breitner, maar heeft moeite den Dam te herkennen. Hij haalt de schouders op: die stad is hem vreemd. En als de ander vertelt van Naatje, de Beurs van Zocher, het