221 WILLEM DANIËL CRAMER
De Amsterdamse scheepvaart had de voltooiing van het groot Noord-Hollands kanaal als een feit van eerste betekenis begroet. De verbinding van Amsterdam met de zee was een probleem, dat velen zorg baarde. Hierin werd nu voorlopig voorzien. Dank zij het aandeel, dat de stad in de kosten nam, werd de breedte van het kanaal zodanig, dat grote schepen in elk geval tot Amsterdam konden doorvaren. Ook voor het opslibben van het Y, waartegen moddermolens vergeefs werkten, meende men een oplossing te hebben gevonden en wel door den aanleg van het Ooster- en Westerdok, als het ware twee grote havenbassins, door sluizen met het open Y verbonden. Dit werk, dat jaren vorderde, kwam in 1834 gereed. Minder voortvarend was men op ander gebied. Nog in 1831 werd een spoorweg Amsterdam — Keulen overbodig geacht. Schuiten en diligencen voorzagen in vervoer. Maar hoe hekelde Hildebrand in de Camera, die in hetzelfde jaar als de eerste spoorweg zijn weg door Holland zocht, de goede vaderlandse trekschuit, waarin hij het onmogelijk achtte, dat ooit iemand een geestige gedachte kreeg, maar integendeel de mensen, die er veel gebruik van maakten, lafhartig, kruipend, gierig, koppig en kwelziek werden. En de diligence: een schokkende, nauwe, dreunende, vuile, tochtige, harde, tuitelige doos, een soort van grote rammelende builkist op vier wielen. ,,Komt, komt, heerlijke spoorwegen!" riep Hildebrand uit, ,,laten de zakdoeken onzer schoonen u toegewuifd worden, de eere- en gedenkpenningen onzer Kunst u tegenrollen! Dan eerst als de Nederlandsche natie, langs uw gladde banen dagelijks door elkander zal geschoten worden als een partij weversspoelen, zal er welvaart en bloei en leven en spoed in ons dierbaar vaderland heerschen!" Wat had men nog begrip van spoed in die dagen. Waarvoor zou men zich haasten? Men was werkzaam en deed zijn best. Langzaam aan, dan brak het lijntje niet. Al dat ijzer en die rook, al die snelheid, dat gerucht, wanneer het de vooruitgang was,