222 WILLEM DANIËL CRAMER
men wilde het aanvaarden, maar de geestdrift liet men gaarne aan jonge, overmoedige lieden, die misschien op hun nummer werden gezet door een Robert Nurks, Hildebrands beminnelij-ken bloedverwant, achtbaar ingezeteneder stad van Burgemeester Cramer, welke heer Nurks toch ook zijn brieven, met een steen verpakt, gerust aan den veerschipper toevertrouwde, daar immers het Rijk zich pas in 1850 hiermee zou bemoeien en van postzegels nog niemand droomde. Wie zou er over kniezen, dat ook de munt al even ingewikkeld was. Besteedde Hildebrands heer Kegge niet een spiergulden voor den ruiker van zijn dochter, mocht de juffrouw in de trekschuit haar vracht niet met dertiend'half en pietje passen en een oortje of kwart stuiver was immers de prijs per el van het band, dat Oom Stastok liever zag verrotten dan het te verkopen onder de markt. Een oortje was twee duiten waard, een botje of halve stuiver vier, het blank zes en de braspenning tien. Dan kon men betalen met stooters van ƒ 0.12 y2y zevendehalfjes of pietjes van ƒ0.32 1/2, dertiend' halven a ƒ 0.62 1/2, achtentwintigen of goudguldens van ƒ 1.40, spiergulden van ƒ 4.—, zilveren dukaten a ƒ 2.50 en gouden van
ƒ 5.50. Men had den tijd om hiermee te passen en te rekenen.
*
Kalm en bedachtzaam ging men te werk. Toen Burgemeester Cramer optrad was een belangrijke taak, die hem wachtte, het bouwen van een nieuwe beurs. Het oude bouwwerk van Hen-drick de Keyser was als heel de koopmanschap en handelsgeest, die er woonde, bouwvallig geworden en ondanks naarstig stutten dreigde het op een kwaden dag in te storten. Er werd nu een houten hulpbeurs geplaatst op den Dam en men schreef een prijsvraag uit voor een nieuw gebouw, dat of wel op dezelfde plaats moest verrijzen dan wel Noordelijker op of bij de Zee-vischmarkt, dus op een te dempen stuk Damrak. De Amsterdammer J. Warnsinck won den prijs, maar tenslotte kreeg na lang beraad Zocher, de populaire architect, in 1840 opdracht