214 WILLEM DANIËL CRAMER
Bataafse republiek de staatseenheid geboren, die het einde betekende van alle gewestelijke en stedelijke onafhankelijkheid en daarmee ook van de geheel eigen positie en de grote macht van het oude Amsterdam. Spoedig slonken en verdwenen trouwens ook de welvaart en rijkdom, welke aan die macht betekenis hadden gegeven. Het Amsterdam van 1813 was een treurige stad, verarmd en verlamd.
Het stadsbestuur, dat na de bevrijding optrad, herinnerde in zijn samenstelling aanvankelijk nog aan het oude regiem. Doch slechts in naam, want niet alleen werden de vier Burgemeesters en zes en dertig Raden benoemd door den Souvereinen Vorst, maar men had zich ook in alles naar hoger hand te richten. Op 5 November 1815 verscheen het Koninklijk Besluit, dat de verkiezing van gemeentebesturen definitief regelde. Dit K. B. voorzag in een kiescollege van drie en dertig leden, voor hun leven door daartoe bevoegde burgers gekozen. Dit kiescollege zou op zijn beurt de Raden aanwijzen, eveneens voor het leven. Uit de Raden, zes en dertig in getal, koos de Koning de vier Burgemeesters, waarvan één telkens voor een jaar het presidium bekleedde en van welk college ook ieder jaar een der leden aftrad, wiens plaats uit een voordracht van drie uit den Raad door den Koning werd aangevuld.
Deze regeling bleef van kracht tot 1824, in welk jaar verkiezing en bevoegdheid van het stadsbestuur in overeenstemming werden gebracht met de betreffende bepalingen van de Grondwet, welke voorzag in een bescheiden invloed der burgerij op de samenstelling der stedelijke overheid. De Grondwet schreef voor: ״In alle steden worden ingevoerd kiezers-collegiën, gelijk van ouds in vele steden bestonden. Zij worden eenmaal in het jaar door de regering der stad bijeengeroepen, alleenlijk tot het bedoelde einde, om de raadplaatsen, in dien tussentijd opengevallen, door bevoegde personen te vervullen. De opengevallen plaatsen in de kiezerscollegiën worden vervuld bij meerderheid