215 WILLEM DANIËL CRAMER
van stemmen der gezeten burgers, een zekere in elke stad bij het stedelijk reglement te bepalen som betalende in de beschreven middelen. Daarover brengt elk dier burgeren eens in het jaar zijne stem uit bij behoorlijk geteekende en gesloten briefjes, die aan de huizen opgehaald worden."
Dit waren dus de eerste ,,verkiezingen" in Amsterdam. Van de verdere wijzigingen was de voornaamste, dat het traditionele college van Burgemeesters verdween om plaats te maken voor één hoogsten gezagsdrager, die blijvend hiertoe werd benoemd. Naast hem kwamen vier Wethouders, terwijl de Raad bleef gehandhaafd op zes en dertig leden. De eerste, die op het Prinsenhof als eenige in Burgemeesters' kamer zetelde, was Jhr. Daniël Willem Elias, die tot zijn dood op 7 December 1828 in functie bleef. Zijn opvolger werd Mr. Frederik van de Poll, evenals Jhr. Elias nog voortgekomen uit den kring der oude Amsterdamse regenten. Burgemeester van de Poll bleef acht jaar aan het bewind. Hij maakte de moeilijke jaren mee van den Belgischen opstand, den terugslag van het embargo op Nederlandse schepen door Engeland en Frankrijk en eindelijk het oproer van 1835, het verzet der kleine huiseigenaren tegen een nieuwen vorm van belastingheffing, dat tot felle uitbarstingen leidde. Het zwakke optreden van Burgemeester van de Poll, dat bij den Koning weinig waardering vond, leidde tot zijn ontslag, hetwelk hem op 15 Februari 1836 op zijn verzoek werd verleend. De Koning wenste een krachtig opvolger. Aanvankelijk werd daarbij gezocht in den kring van het oud patriciaat en het scheen, dat de keuze zou vallen op Jhr. Mr. Daniël Hooft Jacobsz. Vijanden maakten hem echter te den Haag danig zwart, schilderden hem af als ,,een actief brouillon", een man ,,in slechtheid geconfijt". Maar tenslotte ambieerde hij het ambt niet en ook andere prominenten uit zijn kring, Corver, Backer, Willink, toonden geen animo. Toen werd de naam genoemd van den Amsterdamsen advocaat Mr. F. A. van Hall, die later nog