WILLEM JfOSEPH VAN BRIENEN VAN DE GROOTE LINDT 232
maken, daar mijn Principe van den eersten dag geweest is, mij niet anders aan te merken en te gedragen dan, als een nauwgezet hoofd-administrateur, wiens doel en streven was, om alles, zoo veel mogelijk onaangeroerd en in statu quo te laten, teneinde ik, bij een gewenschte omkeer van zaken, mij zou kunnen beroemen, dat er gedurende den tijd van mijn bestuur niets uit
zijn verband en geheel was gerukt geworden."
#
De waardering, waarop van Brienen in de moeilijkste uren van zijn ambtsvervulling had vertrouwd, bleef uit. De onheuse bejegeningen, die hij na zijn terugkomst ondervond verbitterden hem zeer. ,,Het publiek kon mij in mijn betrekking niet anders beoordelen, dan naar hetgeen ik verpligt was ten uitvoer te brengen, en ontwaarde niets, dan het voor mij onaangename. Het goede, dat ik verrigte, en het kwade, dat ik heb weten af te weren, bleef altoos voor het algemeen verholen." De vijandigheid, die hij allerwege gevoelde, noopte hem het verslag zijner verrichtingen gedurende het burgemeesterschap aan het papier toe te vertrouwen, want hij hoopte, ,,dat het weinige, hier ter neder gesteld, voldoende zal zijn, om hen, die mijne handelingen uit een verkeerd oogpunt hebben beschouwd, te overtuigen, dat noch eigenbelang, noch hoogmoed, noch vrees om het Gouvernement te mishagen mij bezielde, maar dat het algemeene belang het eenige doel mijner inzigten is geweest."
*
De strijd, dien Van Brienen en enkele anderen aldus voerden voor de erkenning van zijn verdiensten, is de oude strijd tegen de miskenning, die het deel is geworden van zeer velen, die in moeilijke ogenblikken de verantwoordelijkheid voor de redding op zich namen. Wanneer de tijden lange jaren rustig geweest zijn en de