WILLEM JfOSEPH VAN BRIENEN VAN DE GROOTE LINDT 205
felende te moeten blijven en tot het besluit was gekomen om de Oranje-vlag uit te steken;" dat was op 24 November 1813. En de onmiddellijke reactie van Van Brienen en zijn medegedelegeerden op deze laatste tijding was een gevoel van bevrijding, omdat „door welke daad mijn post van Maire ophield en dus onze qualiteit van gedeputeerden tevens." Enkelen der gedelegeerden aanvaardden de terugreis, anderen, waaronder van Brienen, bleven in Parijs; de eersten werden aan de grens gearresteerd, de laatsten konden zich, zij het met grote moeilijkheden, in Parijs vrij blijven bewegen. Generaal Molitor, die met zijn soldaten de rust in Nederland trachtte te herstellen, terwijl Napoleon in Frankrijk troepen bijeenbracht, die van uit het Zuiden komend, hem daarbij zouden moeten helpen, zond vier voorname Utrechtse ingezetenen als gijzelaars naar Parijs. En van Brienen, die zich gedurende luttele uren ambteloos burger gewaand had, maar nog in Parijs verwijlde, trad in de bres voor deze mannen. Zijn bemoeiingen hadden tot resultaat, dat eerst het lot der gijzelaars verzacht werd, en dat zij later werden vrijgelaten. „Anderen, schreef hij een paar jaar later, „hebben, zooals het doorgaans gaat, zich de eer van dezen gunstigen uitslag aangematigd; hetgeen mij weinig deerde, want ik had mij de personen aangetrokken om de zaak zelve, niet om loftuigingen te ontvangen." Op 31 Maart 1814 kwam Willem Joseph van Brienen in Amsterdam terug. Toen hij zich bij het stadsbestuur vervoegde teneinde verslag te doen van zijn zending, kreeg hij ten antwoord, „dat een en ander onnoodig was."
De ommekeer was geschied. Andere mannen waren aan het roer gekomen met weinig waardering voor het werk, dat hun voorganger onder veel moeilijker omstandigheden had tot stand gebracht. „Veel had ik in de positie, waarin ik geplaatst was, kunnen doen tot genoegen en ter gunste van mijne geloofsgenoten, doch nimmer heb ik van mijnen invloed daartoe willen gebruik