WILLEM JfOSEPH VAN BRIENEN VAN DE GROOTE LINDT 197
Napoleon's wens was het geweest, van den eersten dag af, dat zijn woord wet was boven den Moerdijk, dat Amsterdam de residentie van den koning zou worden. Toen zijn broeder op den troon van het koninkrijk Nederland had plaats genomen, haastte deze zich om dit denkbeeld uit te voeren; in het voorjaar van 1808 veranderde Lodewijk Napoleon het Paleis der Burgerij op den Dam in het Paleis des Konings; de burgerij moest verhuizen naar het complex oude gebouwen van het Prinsenhof. Een later geslacht heeft geleerd dit besluit te betreuren, een nog later om het te aanvaarden. Het besluit des konings was een symbool voor de veranderingen, die zich binnen het geheel der Hollandse steden hadden voltrokken: in wetten en verordeningen was de plaats der gemeente geregeld, maar ook de plaats van den koning, den top van de grote staatkundige pyramide.
De macht des burgemeesters was beperkter dan voorheen, nochtans zou in de moeilijkste omstandigheden, waarin geregeerd moest worden, de benoeming van Joseph Willem van Brienen een zege blijken te zijn voor stad en volk. De conscripties, die de overheid verordineerde, vergden veel van de lijdzaamheid der Nederlanders. In Frankrijk hadden de lotingen reeds tal van moeilijkheden veroorzaakt, hoeveel groter zouden deze in Nederland kunnen zijn waar, immers aan de grenzen des Rijks, de golven der krijgshaftige geestdrift flauwer rimpelden. De bepalingen op den lotingsplicht waren moeilijk te ontwarren; niet altijd werkte de overheid mede om den jongelingen duidelijk te maken of zij vrijgesteld konden worden, dan wel of zij de roepstem van den groten Keizer onverbiddelijk moesten gehoorzamen. In het verslag van zijn werkzaamheden als burgemeester onthult Willem Joseph van Brienen met enkele woorden de gedragslijn, die hij toen en later gedurende al de jaren van zijn burgemeesterschap zou volgen: de werkelijkheid zonder morren aanvaarden, maar de gevolgen voorde stad tot een minimum terugbrengen. ״Ik verkeerde gedurig in vrees of de