WILLEM JfOSEPH VAN BRIENEN VAN DE GROOTE LINDT 196
Al aarzelde hij voor hij de benoeming tot maire aanvaardde, en al had hij getracht aan de moeilijke beslissing te ontkomen, laf is Willem Joseph van Brienen van Groote Lindt zeker niet geweest. Hij zou in de jaren van zijn burgemeesterschap menigmaal op onverschrokken wijze tonen, dat de behartiging van de belangen der stad en haar bewoners hem zeer ter harte ging. Hij was zeker ook geen aanhanger-ondanks-alles van de Franse beginselen; zij mochten hem en zijn geloofsgenoten dan de gelijkheid hebben gebracht, er was toch te veel dat tegen zijn innerlijke godsdienstige overtuiging indruiste. Bovendien begreep hij zeer wel, dat de jaren der Franse overheersing geteld waren. Weliswaar schreed Napoleon nog van overwinning tot overwinning, maar reeds waren er tal van mannen, die zich voorbereidden op de revolutie tegen den Keizer. De algemene verarming deed het volk morren, de belustheid om in het leger van Napoleon te dienen taande. Een burgemeester, gekozen uit de groep der nog voor weinig jaren naar den staat der burgers-tweede-klasse teruggestoten Katholieken, die zich in zijn beleid te veel met Franse overheersers en hun systeem vereenzelvigde, kon licht in later jaren, wanneer de tijden keerden, grote rampspoeden over de hoofden zijner geloofsgenoten brengen.
Willem Joseph van Brienen worstelde, toen zijn benoeming tot burgemeester van Amsterdam werd afgekondigd, met een ernstig gewetensconflict. Toen hij, onder den drang der omstandigheden, echter eenmaal gekozen had en het ambt aanvaardde, dat hij niet had gezocht, kende hij als burgemeester voortaan slechts: het gebod van den plicht.
Hij heeft dat gebod gehoorzaamd en, schoon weinig dank en veel verguizing, ook uit eigen kring, zijn deel werd, zijn taak vervuld tot het einde.
#