WILLEM JfOSEPH VAN BRIENEN VAN DE GROOTE LINDT 195
Hollandse regimenten leveren van drieduizend mannen per jaar. De conscriptie voor de zee-militie was in vollen gang. Langs de Hollandse kusten hielden de Franse douaniers toezicht op de naleving van de geboden van het continentale stelsel, dat eiken handel met Engeland verbood. Op de vloot kon men den Hollandsen zeeman best gebruiken. Was het wonder, dat in de haven van Amsterdam de schepen lagen te verrotten. Er was geen handel en zo er handel ware, dan mangelde het aan scheepsvolk. Koning Lodewijk had indertijd in den Haag een zogenaamd pupillencorps opgericht, bestaande uit vondelingen en onverzorgde kinderen; Napoleon nam dit denkbeeld over en recru-teerde uit de liefdadigheidsgestichten het scheepsvolk, dat de totaal verarmde koopvaardij hem niet leveren kon. Toen daarop in 1811 burgemeester van de Poll tot Senator werd benoemd, vreesde van Brienen, dat de Keizer hem tot opvolger zou benoemen. ״Ik trachtte onder allerhande voorwendselen mij daarvan te verschonen, doch te vergeefs, ik moest mij getroosten, aan den last te voldoen (namelijk de tijdelijke vervulling van het burgemeestersambt). Mijn voornaamste bezwaar bestond daarin dat zulks welligt aanleiding zou geven, om mij tot Maire voor te dragen. Ik hoopte dit nog te voorkomen met dagelijks bij den Prins Gouverneur-Generaal te gaan, om hem dringend te verzoeken, mij toch niet op de nominatie te brengen. Het bleek mij evenwel weinig dagen daarna, dat deze pogingen geene vrucht hadden gedragen, daar ik mijne benoeming tot maire uit de Moniteur gewaar werd. Dat berigt klonk mij als een donderslag in de ooren, en stellig zou ik geweigerd hebben, dien post aan te nemen, had men niet van verschillende kanten daarop aangedrongen.. .. Men bemerkte toch weldra, dat geen verschil van godsdienst of van begrippen op mij eenigen invloed uitoefende, daar ik allen, zonder onderscheid, gelijkelijk behandelde."
*