WILLEM JfOSEPH VAN BRIENEN VAN DE GROOTE LINDT 194
schap van Wolters van de Poll over te nemen, ״maar ik verlangde zulks niet. Ware het al mijne begeerte geweest, dan had ik dit nog nagelaten uit achting voor den heer van de Poll." De inlijving bij Frankrijk geschiedde op 10 Juli 1810; Holland werd een der Franse departementen met de verplichting om alle lasten van de oorlogen mee te dragen, contingenten te leveren voor de Legers der Overwinning en een vertegenwoordiging aan te wijzen in Parijs. Amsterdam werd na Parijs en Rome, de derde stad des Rijks.
־*־
Ofschoon van Brienen in zijn memories nergens uitvoerig gesproken heeft over de motieven, die hem drongen om op den achtergrond te blijven, zo verraden enkele zinnen ons toch wel de redenen van deze terughoudendheid. De beginselen der Franse revolutie waren indertijd wel met feesten en versierde Meibomen ingehaald, de oude gezindheid der bevolking was nochtans niet gestorven. Te lang had men de Roomse staatsburgers als lieden van een anderen graad beschouwd, dan dat men onmiddellijk aan de gelijkheid in de practijk kon gewennen. Willem Joseph van Brienen, de zeer actieve bestuurder van de Amsterdamse Katholieke gemeenschap, regent van het Maagdenhuis en bekend filantroop, vreesde ongewenste gevolgtrekkingen, wanneer hij zich te zeer naar den voorgrond drong. ״Ik vreesde, dat mijne aanstelling tot Maire op velen mijner stadgenoten een minder gunstigen indruk zou maken."
Het zou hem echter niet gelukken om in de rol van lijdzaam toeschouwer der spannende gebeurtenissen te volharden. Vier maanden bleef hij met een delegatie van vijftien Hollanders in Parijs om daar de belangen der Hollandse natie te behartigen. Toen hij terugkeerde, was de toestand van de stad nog benarder geworden. De militaire zaken gingen voor alles. De Hollandse generaals waren door Franse vervangen. Het land moest vijf