WILLEM JfOSEPH VAN BRIENEN VAN DE GROOTE LINDT 191
zekere schuwheid om zich in het publieke forum naar den voorgrond te dringen. Wanneer de omstandigheden hem desondanks in het licht der openbaarheid schoven, stribbelde hij tegen, voortdurend erop bedacht om zo snel mogelijk weer terug te treden naar het halfduister van de ambteloze burgers. Was deze schroom een van de sterkste kenmerken van zijn karakter, zijn liefde voor de waarheid en het recht waren nochtans in staat deze bescheidenheid te overwinnen; dan kon hij met groten persoonlijken moed en met niets en niemand ontziende fierheid optreden voor alles wat hem dierbaar was. Het kon dan ook moeilijk uitblijven, dat, toen in 1803 de oude vormen van gemeentelijk bestuur werden vervangen door andere, die meer in overeenstemming waren met tijd en zede, ook Willem Joseph van Brienen benoemd werd in den gemeenteraad van Amsterdam.
Gemakkelijk was de taak der bestuurderen van de grootste stad des lands niet.
De Bataafse Republiek, met zo groot gejuich begroet, had slechts in de eerste jaren van haar bestaan de verwachtingen der bevolking bevredigd; de troonsbestijging van Lodewijk Napoleon, zo begreep men, vormde den overgang naar den staat van horigheid als departement van het grote Franse Keizerrijk. De nieuwe geest, die in volk en bestuur was gevaren, had tal van overgebleven beheersvormen van de oude Republiek weggevaagd. De steden, die tot aan de stichting van de Bataafse Republiek een zeer grote mate van zelfstandig financieel beheer hadden genoten, eigen inkomsten hadden, naar eigen goeddunken belastingen oplegden en hun uitgaven bepaalden, werden opgenomen in het grote geheel der gezamenlijke staatsfinanciën. Toen Lodewijk Napoleon aan het bewind kwam, telde de gezamenlijke schuld 1126 millioen gulden; tijdens zijn bewind werd dat bedrag nog eens met 90 millioen guldens vermeerderd. De verbinding met de bron der vroegere rijkdommen, de overzeese