207 PIETER CORNELIS HASSELAER
Zo brak het jaar 1795 aan. Het vroor geducht en in de stad was gebrek aan levensmiddelen, brandstof en water. Bij het horen der gruwelen, door de Fransen in Brabant bedreven, sloeg velen de angst om het hart. De Patriotten echter werden steeds driester nu hun verafgode Fransen nog slechts op korten afstand waren. Veertien dagen nog zetelden Burgemeesters op het stadhuis; de uren van het ,,ancien régime" bleken geteld. Weliswaar had het ,,Comité Révolutionnair" gefaald in zijn poging om de stedelijke bezetting om te kopen, maar rekening houdende met het feit dat de Fransen reeds tot Utrecht waren genaderd en aan gewapend verzet niet te denken viel, bleef er niets over dan het onvermijdelijke aanvaarden.
In den middag van 15 Januari begaf Burgemeester Hasselaer zich naar de woning van den presiderenden Burgemeester, Mr. Matthijs Straalman, in de bocht van de Heerengracht, tegenover de Spiegelstraat, waar Burgemeester J. Elias Arnoudsz. en de oud-Burgemeesters C. Dedel Salomonsz. en J. van de Poll reeds wachtten en later de Hoofdschout D. W. Elias zich bij het gezelschap voegde. Tot diep in den avond vergaderde men; in het licht der kaarsen zat daar de ernstige groep der mannen, die zich vergeefs beraadde, hoe zij het lot van de stad in handen kon houden. Vaak viel een lange stilte, staarde men zwijgend in de vlammen van den haard, luisterend naar het gerucht van den wind in den schoorsteen, het bersten van een houtblok op het rooster. Onheimelijk was de spanning, waarde bange verwachting in het vertrek. Als een der vergaderden zich van zijn stoel verhief, blikte hij in den spiegel in de zorg van zijn eigen gelaat. Omstreeks middernacht ging men uiteen zonder een besluit te hebben genomen. Des anderen daags kwam het gezelschap wederom bij Burgemeester Straalman bijeen, 's middags eerst en 's avonds opnieuw. In het late uur kwam het bericht, dat Utrecht in Franse handen was. De vijand stond dus voor de deur. Zou men de