160 PIETER CORNELIS HASSELAER
somber licht ontving. Slechts uit één vertrek, aan den achterkant gelegen, kwam het zwak geluid van stemmen, onderbroken door het snikken van een kind. De livreiknecht, die geruisloos van de trappen daalde, onderbrak een ogenblik zijn loop en luisterde. Hij schudde het hoofd en sloop verder. In die achterkamer der eerste verdieping, op den middag van 17 Januari 1756, stond de bewoner van het huis, de Amsterdamse patriciër Mr. Pieter Cornelis Hasselaer met zijn zeven nog jonge kinderen aan het doodsbed van echtgenote en moeder, op dezelfde plek, waar nog voor kort het eerst geschrei van een jonggeboren wicht met zoveel spanning was verbeid. Op het grote, zwaar gedrapeerde bed lag zij, Clara Wendela Sautyn, nog geen zesendertig jaar, een vrouw in den bloei van het leven weggerukt uit haar gezin, juist op het ogenblik, dat moeders hulp hier het meest werd behoefd. Nu stonden zij bij haar laatste sponde, de vijftienjarige Cornelis Pieter, het oudste, dertienjarige dochtertje Wendela Eleonora, de bijna tienjarige Geertruida Constantia, Hendrik Nicolaas, zeven jaar oud, Clara Suzanna, die ruim vijf jaar telde en op vaders arm de anderhalf-jarige Dirk Wybrand. I)e oudsten, al begrijpend, snikten met trillende lippen, natte vegen wissend in den poeder op hun wang. De kleinsten zagen met grote ogen naar het bleek gelaat in de kussens. Hendrik Nicolaas, die met een vinger moeders smalle hand op het dek voorzichtig had geraakt, huilde luidop van schrik. Een oudere vrouw trad binnen. Zij wenkte de kinderen van de dode, die haar dochter was, den kleinen Dirk tilde zij van vaders arm en leidde hen met zachten drang naar buiten. Dan sloot zij de deur.
Pieter Cornelis Hasselaer bleef aan het bed van zijn dode vrouw, voor zich starend in de kamer, waar de omtrekken der meubels, de kleuren van het tapijt wegdreven in den schemer, de smeulende blokken in den haard berstten en verpulverden. Hij zag terug, zijn leven langs, den opgang, wisselend met