VII
PIETER CORNELIS HASSELAER
LAATSTE BURGEMEESTER VAN HET ״ANCIEN REGIME"
AALDFIJNE regen daalde in donker water der gracht. De stoepen der huizen, de grijze keien van het straatdek glommen als spiegels. Druppels lekten van de bomen en vielen met trage spatten uiteen. Een zeurige Januarimiddag met vaal en vals licht onder strakke lucht; huiverig kwakkelweer al dagen en weken achtereen, droefgeestige inzet van het nieuwe jaar 1756.
In het huis aan den Kloveniersburgwal, genummerd drie, werden dit vroege uur de luiken reeds gesloten. Beneden eerst, dan boven gleed langs de vensters het strak gelaat van den livrei-bediende, zijn pruik met een strik in den nek. Vitrage werd opzijgeschoven, de luiken, groen met goud, zorgvuldig naar elkaar geklapt. Bij het raam boven de deur wachtte de man een ogenblik, aarzelend of hij het laatste licht wel buiten zou sluiten. Hij keek naar de lucht en den regen in het water, dan streek hij zich over het hoofd als bezon hij zich. Het luik sloeg dicht; de gevel van het grote huis bleef somber aan de gracht. Van de roeden der vensters dropte het water, langzaam als tranen onder wimpers van een geloken oog. De pui glom vochtig, een natgeschreide wang gelijk.
Binnen het huis was de trage klak der staande pendule in de gang, onrustig soms als de ademtocht van een slapend mens, het enig gerucht. Niets roerde zich op trappen en portalen, in donkere kamers vóór, in de zaal, die van een binnenplaats haar
N