NICOLAAS CORNELISZ. WITSEN 156
hun eerste gevaarvolle reis rondom de Kaap, telde Amsterdam tweehonderdduizend inwoners; zij was toen de grootste stad van het vasteland van Europa en het belangrijkste centrum van den geld- en goederenhandel inde bekende wereld. In haar beurs werden vorstelijke vermogens verhandeld door eenvoudig-ge-klede burgers, die thuis in hun kleine donkere kamers bij het sobere maal en in het gezin, de hoogste bevrediging van hun leven vonden; door burgers, die bij allen ondernemingszin en winzucht, in hun levenswandel het goddelijk gebod trachtten te stellen boven het wereldlijk gewin en die metterdaad de leerstellingen der barmhartige naastenliefde in practijk brachten, overal waar hun invloed reikte.
Toen de jaren van het grote avontuur zich teneinde spoedden en de ambtelijke carrière de grote drijfkracht in het leven der gemeenschap werd, stond de bloem der kunstenaarschap binnen de muren van de stad gereed om met statige alexandrijnen, of met het bezielde penseel de daden en de glorie der regenten, hoofdlieden en poorteressen, vast te leggen voor alle eeuwigheid. En schoon de vorst der dichters, evenmin als de keizer der schilders, tijdens hun leven de ruime waardering genoten, waarop hun genie aanspraak mocht maken, zo herkende toch de stedelijke gemeenschap in den poëet en in den schilder, de kunstzinnige uitdrukking van haar eigen levenskracht en aspiraties. In haar stadhuis, dat Jacob van Campen voor haar bouwde, architectonische omlijsting van de grootse conceptie: de Burgerzaal, verzinnebeeldde zij de oppermacht van de poorters; in den strijd om den toren op de Nieuwe Kerk of het nieuwe Raadhuis op den Dam, droeg het wereldlijk gezag de zegepraal weg.
Een ongekende levensdrift voer aan het einde van de eeuw door het Amsterdamse volk. Het was trots op zijn stad ,,den vreemden en naghebuur en rycken tot ontsach". Het was trots op zijn burgemeester Nicolaas Witsen, wiens loopbaan en aanzien in de