NICOLAAS CORNELISZ. WITSEN 179
ganse wereld, eiken dag opnieuw bewezen welk een eer het was zich Amsterdammer te mogen noemen.
Zo staat dan thans de figuur van Nicolaas Witsen voor ons: rijk en bewust van eigen kracht, milddadig, verdraagzaam en moedig, wanneer het gold om eigen zedelijke beginselen in wijder kring ingang te doen vinden.
Aan zijn eigen vruchtbare pen dankt het nageslacht een overvloed van bijzonderheden, omtrent zijn tijd, zijn werk en zijn moeilijkheden. Over alle zaken schreef hij uitvoerig, slechts over eigen persoonlijke leven schreef hij slechts node en dan nog met de grootst mogelijke terughoudendheid. Zo gelukkig als zijn ambtelijk leven geweest is, zoveel verdriet en teleurstellingen heeft zijn huwelijksleven hem berokkend. In 1674 trouwde hij met Catharina Hochepied. Zes kinderen zijn uit dit huwelijk geboren, die allen op zeer jeugdigen leeftijd gestorven zijn. De jongste broer van Nicolaas Witsen, Jonas, was op jeugdigen leeftijd heengegaan en had aan de hoede van den burgemeester zijn zoon toevertrouwd, den jongen Jonas Jonas-zoon Witsen. In de aantekeningen van Nicolaas Witsen komt over dezen aangenomen zoon weinig voor; slechts vermelden enige regelen, die hij op hogen leeftijd schreef, hoe het sterven van dezen jongenman, hem diep moet hebben aangegrepen. Welk een oneindige melancholie spreekt er niet uit de woorden, die de grijsaard aan het einde van zijn leven neerschreef: ״Ik hebbe hem opgebracht en tot so hoge waerdigheijt gevordert gehadt, een der enigste steunen van mijne familie, eenoneijnde-lijk swaer verlies voor mijn gesin. Want ik geen kinderen hebbende, hadde op hem alleen gehoopt en gebouzvt, hij was liefhebber van alle fraigheden, deugtsaem en verstandig."
Zoals een bliksemstraal in den nacht gedurende één enkele seconde een landschap in feilen gloed zet en het tot in de diepste verten voor den toeschouwer zichtbaar maakt — zo biedt deze verzuchting van den ouden regent ons het beeld van een trotsen.