NICOLAAS CORNELISZ. WITSEN 173
legenheid" en „dat wyders aan gemelde ouderlingen en diakenen van Burgemeesteren en de Raad onder hand en in stilte werd beloofd, dat wanneer hunne kas door opgemelde fournisse-menten zouden mogen zijn geledigd, de Stad, of zelve onderstand zoude verleenen, of eene collecte in alle kerken toestaan, op den naam van subsidie van de Waalsche gemeente, mits zij van de uitgegeven penningen te zijner tijd rekeningen zouden hebben te doen." In een ander besluit van de vroedschap leest men, „dat men particuliere kooplieden, zo Mennistgezinde als andere, onder de hand en in stilte behoorde te verzoeken, dat zij alom wilden schrijven het goed onthaal, dat men de nieuw overkomende meesters en knechts van meeninge was te doen." Het aantal der vluchtelingen steeg, het getal der behoeftigen onder hen, evenzeer; in !689 bedroeg het aantal nooddruftige Fransen in Amsterdam 1700. De overheid moedigde desondanks de komst der Hugenoten niet slechts aan, maar zij verbood ook om in couranten en nieuwspapieren mededeling te doen van de wijze, waarop de Fransen over de grenzen hadden kunnen ontsnappen, want door deze openbare kondgevingen zouden de spionnen van den Fransen koning met meer succes dan tot dusver middelen kunnen beramen om voor andere stromen vluchtelingen de grenzen te sluiten.
Er is onder de vele papieren, die van Nicolaas Witsen bewaard zijn gebleven, een aantekening op een raadsbesluit uit het jaar 1681. Zij luidt:
Versoeke het burgerschap.
Kan light toegestaen worden. Vryheijt van ascys voor 10 jaer en exemtie van gilden. Van meerder belang, dogh soude voor 3 jaren kunnen worden toegestaen. Dat het mag in gasetten geset werden het faveur, dat men hen hier doet.
Dunkt ongeraden, om den Coning niet te offenceeren.