136 CO EN RA AD VAN BEUNINGEN
Hij hield met zichzelf wijsgerige maaltijden, waarbij hij betoogde, zichzelf bestreed en weerlegde. Hij dwong zijn oppasser en de dienstmeid om naar die predikatiën te luisteren. Soms werd hij gevaarlijk; vooral wanneer men hem dwingen wilde inbreuk te maken op de leer, die hij in zijn waanzin ontworpen had, namelijk, dat de mens geen eten mag nuttigen, dat eens geleefd heeft. Hij vergeleek zichzelf met de figuren uit de Heilige Schrift. Het verhaal van het lijden van Jezus greep hem in hoge mate aan; hij vereenzelvigde zich met den Godszoon, die, zoals hij uitriep, ook door zijn tijdgenoten voor dol is aangezien, en in lijden nochtans de Verlosser van allen werd. Zijn leed werd nog vergroot, doordat het personeel er behagen in schiep hem angst aan te jagen; ,s nachts speelde de bewaker voor spook of figureerde als kwelduivel en deze wrede plagerijen vergrootten zijn dolheid en zijn vasthoudend geloof in mirakelen, die hem waren geschied en voor anderen onzichtbaar waren gebleven.
In de rustige ogenblikken van zijn ziekte, waande hij zich onmetelijk rijk. Hij smeet met denkbeeldige rijkdommen, gaf schenkingen aan vreemde diplomaten, bezwoer de staatslieden van zijn tijd om den enigen grondslag van een gezond volksbestaan, den rijkdom, niet in gevaar te brengen. Zo sleepte dit kranke lichaam zich door de dagen. Op 20 October 1693 stierf hij — vergeten door de stad, die hij
zozeer had liefgehad en die hij zo vurig had verdedigd.
*
Niet in alle opzichten mag het leven van Coenraad van Beunin-gen symbolisch heten voor de geschiedenis van zijn stad in die bewogen jaren; wél weerspiegelt zich in de lotgevallen van den enkelen mens het leven van het grote geheel om hem heen, maar deze reflex is geen mechanische verkleining, die tot in elk detail op het grote gelijkt.