il6 COENRAAD VAN BEUNINGEN
burgemeester van Amsterdam aan een ijzeren ketting geklonken heeft gelegen en met zijn eigen bloed — zo fantaseerde de volksverbeelding — op de stenen van den gevel met Hebreeuwse en Griekse karakters de voorspellingen grifte van den naderenden ondergang der wereld en van de gezichten uit de Openbaring, die hem waren verschenen.
Zijn vrouw trok zich van het lot van haar man slechts weinig aan. Er is in de verhalen zijner tijdgenoten sprake van een andere vrouw, die in Amsterdam een kwaden roep genoot, en die somwijlen naar den Amstel sloop om den armen man wat lafenis te brengen. Zijn wettige echtgenote leefde in den Haag en verkocht er gaandeweg alles wat haar man nog bezat. Een wrede bewaker liet zij in Amsterdam achter, die den krankzinnige behandelde overeenkomstig de opvattingen, die te dien dage werden gehuldigd, wanneer men geesteskranken wilde genezen. Het lijden van Coenraad van Beuningen werd nog verergerd door de omstandigheid, dat de perioden van krankzinnigheid werden afgewisseld door dagen, waarop hij volkomen helder van geest was. Dan wist hij met zijn ongeëvenaard redenaarstalent de bewakers te bewegen hem te verlossen van de boeien, waarin hij geklonken was. Een enkelen keer lukte het hem dan om uit de stad te komen en een van zijn oude studie-genoten op te zoeken. In den kring van geleerde theologen hield hij dan zijn redevoeringen, verdedigde hij zijn opvattingen, predikte hij zijn ondogmatisch Christendom en er zijn tal van brieven bewaard, waarin deze vrienden vol verbazing vermeldden, dat een kranke van geest op zo geleerde wijze vermocht te spreken. De dagen van helderheid werden steeds minder talrijk; de nacht van den waanzin spreidde haar vleugelen steeds dichter over dezen zieken geest.
In 1690 brak eindelijk de periode van den absoluten nacht voor hem aan; dagen van helderheid zou dit leven niet meer kennen. Maar hij bleef preken.