il6 COENRAAD VAN BEUNINGEN
vaarders er hun roofziek bedrijf uit; en vrijbuiters lagen verscholen in de baaien en kreken van verre eilanden, wachtend op de volgeladen schepen, die thuis voeren; ja, koningen van andere mogendheden eisten de zeeën voor zich op en weerden de schepen van anderen.
Het was nodig om op al deze verwarde zaken orde en regel te stellen. De eenvoudige voorstelling van de wereld, die zo plat als een pannekoek en het middelpunt van het heelal was, had afgedaan, sinds moedige mannen rond den gansen aardkloot waren gezeild. Naarmate de mens zichzelf uit het vermeende middelpunt van het heelal verplaatst zag naar een onogelijk klein sterretje, wentelende tussen millioenen andere werelden in een oneindige ruimte, schroeide feller de vlam van het heimwee naar de kennis van den oorsprong aller dingen. De boekdrukkunst had hem medebezitter gemaakt van alle kennis en alle wetenschap. Scherpe geesten zochten verder, waren niet tevreden met het verworvene, maar speurden en redeneerden, bestreden spitsvondigheden met vernuft.
In deze wereld werd de kleine Coenraad van Beuningen geboren, een geestige jongen.
Zestien jaar oud stond hij als student ingeschreven aan de Leidse academie; hij studeerde er letteren, maar zijn onrustige geest was met deze beperkte studie niet tevreden. Hij zocht de wijdere gebieden van de oude en nieuwe filosofie en van de godgeleerdheid. Onder de jonge studenten in Leiden woedde de strijd tussen de wijsgerige en godsdienstige richtingen van die dagen; te midden van den maalstroom van disputen worstelde de gevoelige knaap met zijn innerlijke begeerte naar een niet dogmatisch Christendom, een alomvattend geloof, dat zijn eenheid niet zocht in uiterlijke vormen maar in innerlijke belevenis. De jonge student Coenraad van Beuningen, loot uit een rijk geslacht van kooplieden, verwierp de ijdelheden en weelde van deze wereld en predikte voor zichzelf en zijn tijdgenoten matigheid