il6 COENRAAD VAN BEUNINGEN
De vormen van de middeleeuwse maatschappij waren niet langer in staat om den stroom der geurige en kostbare schatten, die uit de Indien over West-Europa begon te vloeien, te beheren en te verwerken. De grenzen der mensengemeenschap zette zich uit, groeide tot een door kleine groepen geleiden wereldhandel. De handelscompagniën werden in werkelijkheid tot bijna zelfstandige handelsstaten met eigen vloten, eigen soldeniers, eigen politiek; de leiders dier handelscompagniën waren kooplieden en vorsten tegelijkertijd. Als zij, die leiders, op de hoge stoepen van hun herenhuizen stonden, wisten zij zich koningen gelijk — koningen, in wier dienst honderden mannen hun leven waagden en duizenden gekleurden zwoegden — koningen niet tevreden met het loon, dat hun behoeften bevredigde, maar trotse mannen, die ver vooruit dachten en die schatten vergaarden voor het nageslacht, dat eens de huizen zou bewonen met de beschilderde plafonds en de iriserende vensters. Hun burgemeesters en pensionarissen waren hun gezanten; zij bestuurden de stedelijke en de landspolitiek, geleid door het beginsel, dat de rijkdom van den koopmansstand de welvaart van het gehele land betekende; zij voerden oorlogen voor de regenten en sloten vrede voor hen. Een nieuwe adel groeide op in de mannen, wier grootvaders nog als schippers op Leiden voeren, een winkel in scheepsvictualiën of een handel in erwten en bonen dreven: de adel van den nieuw verworven rijkdom. Hij wist zich te doen gelden, deze nieuwe adel.
En met de uitzetting van de grenzen der oude middeleeuwse maatschappij, waarin het zo goed was te leven in de rustige zekerheid van de beperktheid der wereld en de oneindigheid der ongekende schepping, groeide de behoefte aan nieuwe denkbeelden omtrent recht en onrecht. De zee, de oneindige akker waarin de schepen hun voren trokken, was vol dreigende gevaren; stormen konden er loeien en angstwekkende monsters doken op uit de diepten — maar ook oefenden vreemde kaap