108 WILLEM BACKER
vrolijck en soet sijn geweest." Aan den ouden strijd zou slechts de heugenis bewaard blijven in den naam van de straat, welke raadhuis en kerk voortaan scheidde: de Mozes- en Aaronstraat, symbool van de tegenstelling tussen wereldlijk en geestelijk gezag.
Tot de vele gelukwensen, die de Burgemeester en Cornelis de Graeff, Joan Huydecoper, Joan van de Poll en Hendrik Dirksz. Spiegel op 29 Juli 1655 ontvingen, behoorde ook het bekende gedicht van Constantijn Huygens:
״Doorluchte Stichteren van 's Werelds Achtste Wonder, Van sooveel Steens omhoog, op sooveel Houts van onder, Van sooveel Kostelicks, soo konstiglick verwrocht, Van sooveel Heerlickheits tot sooveel Nuts gebrocht: God, die u Macht en Kracht met reden gaf te voegen, God, geev' u int Gebouw, met Reden en Genoegen Te toonen wie gij zijt, daer ick 't al in sluyt, Heil zij daer eeuwigh in en Onheil eeuwigh uyt. Ist oock soo voorgeschickt, dat dese Marmre Muren Des Aertrycks uijterste niet hebben te verduren En werd het noodigh, dat het Negende verschijn' Om 's achtsten Wonderwercks nakomelingh te sijn: God, uwer Vad'ren God. God uwer Kindren Vader. God, soo nabij u, sy die Kindren soo veel nader, Dat haere Welvaert noch een Huys bou' en besitt, Daerbij dit nieuwe sta, als 't oude stond bij dit."
Deze laatste regels zijn thans, na drie honderd jaar, anders dan de dichter vermoeden kon, actueel geworden. Het Amsterdam der twintigste eeuw staat voor de opdracht 's werelds negende wonder te bouwen.