108 WILLEM BACKER
nieuwe stadhuis wel winnen zou. Werd bovendien het laatste bouwwerk door het eerste niet al te zeer in de schaduw gesteld ? En zelfs de Kerkelijken waren het niet eens. De meeste predikanten keerden zich van den kansel heftig tegen het stadsbestuur, indien dit bij zijn besluit mocht blijven. Men dreigde met de wraak des hemels voor een zo werelds standpunt, maar de wrekende hand Gods werd al evenzeer afgeroepen over de torenbouwers zelf, wien door anderen het voorbeeld van Babel voor ogen werd gesteld.
Twee gebeurtenissen maakten aan den strijd een einde. In den nacht van 7 Juli 1652 brak brand uit in het oude stadhuis op den Dam, waarachter men reeds op terrein, dat door sloping van aangekochte percelen werd verkregen, met grondwerk voor het nieuwe was begonnen. In drie uur tijds waren de oude middeleeuwse gebouwen, juist als vóór twee honderd jaar in den Meinacht van 1452, door het vuur verwoest.
״Alout Stadhuis, verminkte Stêhuis,
Gewoon van ouderdom te bucken,
En onderstut met jonge krucken,
Hoe stortghe in 't graf met dit gedruis,
In 't midden van den brand en 't rooken;
Nu 't onvoldraegen Raethuis vast
Zijn leden krijght, en groeit en wast?"
Inderdaad, het nieuwe raadhuis, nog weinig meer dan fundamenten, moest nu met Vondels woord wel leden krijgen en groeien en wassen, wilde het als een Phoenix uit de as van het oude herrijzen, zoals tijdgenoten dichtten. Maar bovendien stierf op 5 October van datzelfde jaar de grote voorstander van den torenbouw, Willem Backer, die als leider der Kerkelijke fractie werd opgevolgd door zijn zwager, Burgemeester Gerard Schaep, Heer van Kortenhoeff, bekend als ,,seer suynich en girich, wel gestudeert, maer niet gauw van