IOO WILLEM BACKER
ook in de politiek streng doorvoerden. Hij was een rustig, beschaafd man, wiens gehele leven door zijn sterke overtuiging werd geleid, die zelden op den voorgrond trad, doch naar wien men luisterde als hij zijn stem verhief. Zeven en twintig jaar maakte hij deel uit van het stadsbestuur en vervulde tal van functies. Zo was hij van 1626 tot 1629 Commissaris van Huwelijkse Zaken, in 1629 en 1630 Commissaris van de Grote Accijnzen, Rekenmeester in 1632, Commissaris van Kleine Zaken in 1634 en 1635, Weesmeester in 1640, 1643 en 1646 en Thesaurier Ordinarisin 1641, 1644 en 1652. Hij werd tot Schepen gekozen in 1631, 1633, 1636 en 1637, het burgemeesterschap vervulde hij vijf maal: in 1639, 1642, 1645, 1647 en 1651. Verder werd hij in 1624 benoemd tot Heemraad van Nieuwer Amstel, in 1629 tot Heemraad en in 1638 tot Hoofdingeland van de Watergraafsmeer. Slechts kort was hij bewindhebber der Oost-Indische Compagnie. Bemerkende echter, ,,dat onder sijn confraters de wagen niet al te recht gonck, heeft hij het selve afge-legt ende liever gehad het profijt te missen als met oogluycking te schijnen te gedoogen eenige valscheyt." Een man van zijn karakter leende er zich ook weinig toe de Compagnie te leiden, waar winzucht vooralsnog het enig oogmerk was en sluikhandel en lorredraaierij door hoog en laag werden beoefend om eigen zak te spekken. Meer in zijn geest was de functie van curator van het jonge Athenaeum Illustre, waartoe hij in 1636 werd gekozen.
Willem Backer werd in 1595 geboren als enige zoon van Ccrnelis Jorisz., haringkoper op den Nieuwendijk ,,In den roo-den Hoorn" tegenover de Engelsche steeg. Zijn moeder was Grietge Backer, dochter van Willem Backer Willemsz., bijgenaamd „Rijcke Backertge", wonende op den O.Z. Voorburgwal bij de Liesdelsbrug, die in 1569 bij decreet van Alva om den gelove werd uitgebannen en zich te Bremen vestigde, waar hij in 1575 stierf. De jonge Willem groeide op in het Amsterdam,