WILLEM BACKER IOI
Waar zetelden de regeerders van het opbloeiend Amsterdam, de schitterende stad der jonge zeventiende eeuw ? Nog altijd in het middeleeuws stadhuis, dat na den groten brand van 1452 weer op de plaats van het oude, verwoeste gebouw was opgetrokken. Het stond op den Dam in de rooilijn van de Kalver-straat, door dicht bebouwde straatjes van de Nieuwe Kerk gescheiden: in het midden de toren, een echt stedelijk donjon, aan den Noordkant geflankeerd door h et hoofdgebouw, ter andere zijde door de Vierschaar, een open hal, met zuilen geschraagd, welke ongeveer drie meter op den Dam vooruit sprong. Hoog in den toren hing der stede klok, beneden was de kamer, waar vanouds de Burgemeesters vergaderden ״in het torentje". Boven in het hoofdgebouw lag de oude raadkamer, een zaaltje, dat met vier vensters op den Dam uitzag. Vanuit deze vensters geschiedden de officieele afkondigingen. Beneden werd na 1609 het goud en zilver der vermaarde Amsterdamse wisselbank, waar millioenen omgingen, geborgen. Aan den buitenkant tegen de pui had men kramen verhuurd. In de Vierschaar werd rechtgesproken; de Amsterdammers, staande in de open hal, konden door traliewerk de rechtszittingen daarbinnen volgen. Dit oude stadhuis werd naar het Noorden begrensd door de Vogelsteeg — op den hoek was vanouds de kaak, waar zij, die daartoe veroordeeld waren, te kijk moesten staan — in het Zuiden door de Gasthuissteeg, de huidige Paleisstraat. Achter het complex, dus op het terrein tot aan den N.Z. Voorburgwal, lagen het St. Elizabethgasthuis en tal van particuliere huizen. Om ruimte te winnen was het gasthuis reeds lang bijgetrokken, de voormalige kapel werd benut voor grote vergaderingen, daarachter lag de nieuwe raadkamer. Geleidelijk werden de meeste belendende perceelen aangekocht en in gebruik genomen voor stadskeuken en turfhuis, concierge-woning en pijnkamer en vooral voor de administratie der zich gestadig uitbreidende lagere bestuurscollege's. Tenslotte werd de Vogel