WILLEM BACKER IOI
Hetzelfde gold voor het dagelijks bestuur. De Burgemeesters regeerden. Van hen ging het initiatief uit. Zij kenden en beheerden met thesauriers de financiën. Zij raadpleegden de Vroedschap, het college van 36 leden, wanneer zij het nodig achtten de heren bijeen te roepen en waren vrij in hetgeen zij hun wensten voor te leggen. Zij handhaafden de orde door het opperbevel over schutterij en militaire bezetting. Met den Schout, in naam het hoofd van het stedelijk bewind, en de Schepenen vormden zij ״Mijne Heeren van den Gerechte", bevoegd tot uitvaardigen van keuren; gelijke bepalingen konden de Burgemeesters overigens ook zelfstandig kracht van uitvoering ver-leenen. De Burgemeesters hadden ook recht op alle benoemingen, niet alleen in de stedelijke college's, maar ook in de landsbediening, wanneer dit bij toerbeurt door Amsterdam moest geschieden. De Schepenen, negen in getal, waren belast met de rechtspraak; voor een doodvonnis behoefden zij echter de instemming der Burgemeesters.
De Vroedschap miste eiken directen invloed op het stadsbestuur. Zij had jaarlijks het recht een dubbeltal op te maken, waaruit de Stadhouder negen Schepenen koos. Daardoor kon zij zich dus tot op zekere hoogte indirect doen gelden bij verkiezing van Burgemeesteren, welke immers geschiedde door Burgemeesters, oud-Burgemeesters, Schepenen en oud-Schepenen, maar het is duidelijk, dat dit slechts op den zeer langen duur het geval kon zijn. Bovendien waren de verhoudingen doorgaans zo, dat de Vroedschap en meestal ook de Stadhouders zich bij het voorstellen en benoemen van Schepenen naar den geest der Burgemeesters richtten.
Het aantal lagere bestuurscollege's, waarop Burgemeesteren door het recht van benoeming invloed hadden, breidde zich, naarmate de stad in belangrijkheid en bevolking toenam, steeds meer uit. Thesauriers, weesmeesters, accijnsmeesters enz. hielpen onder hun oppertoezicht de stad regeren. Ook in de recht