IOO WILLEM BACKER
strookte met zijn belang. De tegenstelling, die hieruit groeide, bleek duidelijk toen Frederik Hendrik zich opmaakte om Antwerpen te veroveren. Tot dan toe had Amsterdam hem gesteund bij zijn succesvolle krijgsbedrijven, nu echter weigerde het zijn medewerking, daar deze verovering, die Antwerpen weer in den vrijen handel zou inschakelen, voor Amsterdam nadelig moest zijn. Bovendien zag Amsterdam op dat ogenblik meer heil in een krachtige interventie tussen Zweden en Denemarken, waaruit wellicht een ontheffing viel te winnen van de verplichting tot betaling der Sonttol . Een ernstige grief tegen Amsterdam en tegen deze stad vooral was ook het feit, dat men er met den vijand handelsbetrekkingen onderhield en er geen bezwaar in zag hen van schepen en materiaal te voorzien. Was het wonder, dat Frederik Hendrik van Amsterdam sprak als van zijn grootsten vijand, dien hij gaarne zou hebben vernederd. Ook de vrede van Munster is het werk geweest van de Amsterdamse politiek. Frederik Hendrik wenste een voortzetting van den krijg, die zo gunstige kansen bood; de Amsterdammers daarentegen achtten het voordeliger vrede te sluiten, te meer daar Spanje aannemelijke voorstellen deed. Het Amsterdamse standpunt zegevierde, de stad stond op het toppunt van haar macht.
#
Waaraan ontleenden de mannen, die in deze jaren, maar ook voorheen reeds en later, vier eeuwen lang, de stad bestuurden, hun grote macht, zodat zij een positie konden innemen, vrijwel onafhankelijk van elk gezag in de Republiek ? Het burgemeesterschap te Amsterdam steunde op het privilegie van Hertog Albrecht, in 1400 verleend, waarbij de jaarlijkse keuze der vier hoogste machthebbers was geregeld en directen invloed van hooger hand werd uitgeschakeld. Van zeggenschap der burgerij was nog minder sprake; de Vroedschap, voor zover men die naar hedendaags begrip als haar vertegenwoordiging beschouwen kon, kwam aan de verkiezing niet te pas.