IOO WILLEM BACKER
goten de Hemony's hun klokken, de nimmer zwijgende stem der zeventiende eeuw. Het was een wonderlijke stad, dit Amsterdam, de keizerlijk gekroonde, uitzonderlijk begunstigd op elk gebied. En zij die deze stad bestuurden, waren Koningen gelijk, bekleed met bijna onbeperkt gezag. Nergens als te Amsterdam waren Burgemeesters zo machtig en invloedrijk, nergens beschikten zij over zo grote middelen, nergens tenslotte kwam die macht in handen van zo krachtige, bekwame regeerders als Amsterdam hebben geleid. Vooral in de eerste helft der gouden eeuw, toen de regentenaristocratie nog niet door weelde- en praalzucht was aangetast, toen nog het eenvoudig, kloeke beginsel hun doen en laten bewoog, was dit bewind voor Amsterdam een zegen. Van den roemruchten Andries Bicker, die ״met zijn vlag den grooten oceaan beschaduwde," machtig in Amsterdam, in feite regeerder der ganse Republiek, kon worden getuigd, dat hij ״onberispelyck in leven, heylig in handel en wandel, waeckte voor de welvaert der stadt."
Zij waakten voor de welvaart aan Amstel en Y, de Amsterdamse Burgemeesters en dit bracht hen al te vaak in botsing met hoger gezag, met den Stadhouder, met den Raadpensionaris, zodra deze aan plannen smeedden, die niet strookten met het belang der stad. Een Oldenbarneveldt, Frederik Hendrik, Willem II, Johan de Witt, Willem III, zij allen ondervonden, dat zij bij hun politiek met Amsterdam rekening hadden te houden. Zo was het vroeger geweest, zo zou het ook later zijn, heel de geschiedenis door; telkens en telkens weer zorgde Amsterdam door zijn macht en invloed, dat zijn oogmerken en belangen niet werden geschaad. Het geld was hierbij een eerste factor. Amsterdam, door zijn handel en nering rijk en vermogend, betaalde de helft van alle belastingen in Holland en had dienovereenkomstig zeggenschap in de Staten. Zonder Amsterdam was elke onderneming financieel onmogelijk, van den anderen kant gaf Amsterdam die medewerking dan ook alleen, wanneer dit